Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 8 maart 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1253

werknemer/werkgever

Werknemer is niet ontvankelijk in het geschil over de hoogte van de transitievergoeding (vervaltermijn van art. 7:686a BW). Wel heeft hij recht op uitbetaling van vakantie-uren tijdens ziekte onder verwijzing naar de recuperatiefunctie en artikel 7:638 lid 8 BW.

Feiten

Werknemer is op 3 juli 2000 in dienst getreden bij werkgever. Bij beschikking van 7 juli 2016 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2016 ontbonden. Op 12 oktober 2016 heeft werkgever een eindafrekening aan werknemer doen toekomen. Werkgever heeft aan werknemer bericht dat 114 vakantie-uren niet worden uitbetaald vanwege opgenomen bouwvakvakantie. Voorts heeft werkgever bij brief van 12 oktober 2016 aan de gemachtigde van werknemer bericht dat zij aan werknemer een transitievergoeding van € 11.821,69 bruto is verschuldigd. Werknemer verzoekt de kantonrechter werkgever onder meer te veroordelen tot € 22.733,99 bruto ten titel van transitievergoeding en € 3484,98 bruto ter zake van niet uitbetaalde vakantie-uren. Werkgever stelt zich primair op het standpunt dat werknemer niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoeken, omdat het verzoek na ommekomst van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW is ingediend.

Oordeel

Transitievergoeding

Werknemer betoogt dat de genoemde vervaltermijn niet van toepassing is omdat er volgens hem geen sprake is van een verzoek op grond van artikel 7:673 BW. Volgens hem is de transitievergoeding al bij de beschikking van 7 juli 2016 toegekend, maar is bij de afwikkeling van het dienstverband alleen niet het bedrag betaald waar hij recht op heeft. De kantonrechter volgt werknemer niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt. In de betreffende beschikking is slechts bepaald dat werknemer een transitievergoeding toekomt. Omtrent de hoogte ervan is niets bepaald, dit was door werknemer namelijk ook niet verzocht. Dat een werknemer die een geschil over de hoogte van een transitievergoeding wil laten beslechten ook is gebonden aan de vervaltermijn van artikel 7:686 lid 4 onderdeel b BW blijkt expliciet uit de wetsgeschiedenis. De arbeidsovereenkomst is ontbonden met ingang van 1 september 2016. De kantonrechter overweegt dat de arbeidsovereenkomst daardoor op 31 augustus 2016 is geëindigd. Dat betekent dat werknemer het onderhavige verzoek tot en met 30 november 2016 kon indienen. Niet ter discussie staat dat het verzoek pas op 27 december 2016 door de griffie van de rechtbank is ontvangen en derhalve te laat is ingediend. Zoals uit de aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis blijkt is de vervaltermijn fataal en kan de vervaltermijn niet worden gestuit of verlengd. Overschrijding van de termijn resulteert in verval van recht. Dat betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling ervan.

Vakantie-uren

Tussen partijen bestaat discussie of de bouwvakperiode als een door werkgever vastgestelde vakantie heeft te gelden. De kantonrechter is van oordeel dat dit punt in het midden kan blijven. De kantonrechter overweegt dat vakantie een recuperatiefunctie heeft: herstellen c.q. uitrusten van verplichtingen voortvloeiend uit de dienstbetrekking. Dit geldt ook voor re-integrerende werknemers. Voor langdurig zieke werknemers die gedurende die periode geheel zijn vrijgesteld van verplichtingen tot re-integratie is recuperatie niet aan de orde. Als er al van uit zou moeten worden gegaan dat werknemer kon recupereren, geldt dat werknemer niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat werknemer ermee heeft ingestemd dat eventuele ziektedagen tijdens een bedrijfsvakantie als vakantiedagen worden aangemerkt dan wel dat sprake is van een schriftelijke overeenkomst waarin is afgeweken van de hoofdregel van artikel 7:638 lid 8 BW. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat zelfs al zou sprake zijn geweest van een vastgestelde bedrijfsvakantie en werknemer kon recupereren, werkgever gelet op het voorgaande niet gerechtigd was om de uren van het vakantietegoed van werknemer af te boeken. De kantonrechter verklaart werknemer niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toekenning van een bedrag van € 22.733,99 bruto aan transitievergoeding en veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van € 3484,98 bruto ter zake van niet uitbetaalde vakantie-uren.