Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Oilily World B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 23 februari 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:1516

werknemer/Oilily World B.V.

Verzoek om herstelveroordeling afgewezen. Werkgever heeft voldoende aangetoond dat zij, ondanks een stijgende omzet, in de jaren 2013 tot en met 2015 steeds een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. Functie werknemer is vervallen. Geen herplaatsingsmogelijkheden.

Feiten

Werknemer is op 10 februari 2014 in dienst getreden bij Oilily, in de functie van Creative Director. Het UWV heeft op 27 september 2016 de (volledige) aanvraag voor werknemer ontvangen. Werknemer heeft zich op 28 september 2016 ziek gemeld en is thans nog arbeidsongeschikt. Oilily heeft de arbeidsovereenkomst, na daartoe toestemming te hebben verkregen van het UWV, op 30 november 2016 opgezegd met ingang van 1 januari 2017. Werknemer verzoekt Oilily te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen.

Oordeel

Kern van het geschil betreft de vraag of Oilily voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de functie van Creative Director is komen te vervallen vanwege maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. Oilily heeft ter onderbouwing van de noodzaak van de te nemen maatregelen, financiële gegevens van de onderneming over de jaren 2013 tot en met 2015 overgelegd, de voorhanden zijnde gegevens over 2016 en een prognose over een deel van 2016 en 2017. De kantonrechter is van oordeel dat Oilily op basis van de ingediende financiële gegevens en de daarbij gegeven toelichting, voldoende heeft aangetoond dat, ondanks een stijgende omzet, Oilily in de jaren 2013 tot en met 2015 steeds een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. In dit beeld passen ook de maatregelen genomen in het jaar 2014, in het kader waarvan werknemer in dienst is getreden als Creative Director, met het doel om de organisatie efficiënter te organiseren en daarmee winstgevender te maken. Uit de financiële gegevens is voorts genoegzaam gebleken dat de vermogenspositie ‘gezond’ werd gehouden door verstrekking van vreemd vermogen en het vervolgens omzetten daarvan in eigen vermogen. Dat de arbeidsovereenkomst van werknemer in februari 2016 nog is omgezet in een contract voor onbepaalde tijd, lijkt weliswaar strijdig met de aanvraag van de ontslagvergunning in september 2016, echter deze ‘koerswijziging’ valt, zoals door Oilily toegelicht, te verklaren uit het feit dat naar aanleiding van de AVA op 26 augustus 2016 verdere kostenbesparende maatregelen genomen moesten worden, omdat de grootaandeelhouder te kennen had gegeven de verliezen van Oilily niet langer op te willen vangen. In dit kader is voorts nog als redengevend voor het ontslag aan te merken dat Oilily ervoor heeft gekozen om het relatief grote managementteam terug te brengen tot twee leden, te weten een bestuurder en een HR/Finance Manager. Verder is niet gebleken dat na het ontslag van werknemer, anderen voor zijn functie in aanmerking zijn gebracht. Oilily heeft erkend dat zij, nadat werknemer zich arbeidsongeschikt had gemeld, een zzp’er heeft aangetrokken om het ontwerp van de collectie voort te zetten. Deze zzp’er is echter niet als Creative Director aangesteld. Na het ontslag van werknemer heeft Oilily geworven voor de vacature van SDWW. Deze functie is voor werknemer echter niet als passend aan te merken, nu dit een andere functie betreft, met een lager bijbehorend salaris. Oilily heeft dan ook voldoende onderbouwd dat de functie van werknemer noodzakelijkerwijs kwam te vervallen, dat hij niet voor herplaatsing in de functie van SDWW in aanmerking kwam en dat er ook overigens voor werknemer geen andere passende functie beschikbaar was binnen haar onderneming. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moet worden geconcludeerd dat Oilily aan de aanvraag tot het verlenen van een ontslagvergunning een redelijke grond zoals geformuleerd in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW ten grondslag heeft gelegd. Van een opzegging door Oilily in strijd met artikel 7:669 lid 1 BW is dan ook geen sprake. Voor toewijzing van het verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst bestaat geen grond.