Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31 maart 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:2203
werknemer/The Tara BV
Feiten
Werknemer is sinds 2014 in dienst bij The Tara BV als barmedewerker. Op 8 oktober 2016 is er onenigheid ontstaan tussen The Tara en werknemer naar aanleiding van de eerdere weigering van werknemer om een extra avond te komen werken. The Tara heeft werknemer vervolgens niet meer ingeroosterd. Partijen hebben gesproken over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Centraal staat de vraag of partijen uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Werknemer betwist dit en stelt dat The Tara in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd en vordert een billijke vergoeding en schadevergoeding ter hoogte van het loon over de opzegtermijn.
Oordeel
Voor de instemming door de werknemer met een aanbod van de werkgever tot het sluiten van een beëindigingsovereenkomst is een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting vereist, gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking met onderling goedvinden. De sms van werknemer van 31 oktober 2016 voldoet daar niet aan. Welwiswaar geeft werknemer te kennen dat hij ‘happy enough’ is om de stukken te tekenen, maar dat hij eerst zijn salarisspecificaties over 2016 wil ontvangen. Op grond hiervan was er op 31 oktober 2016 geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer gericht op die beëindiging van de arbeidsovereenkomst en ook nog geen perfecte overeenstemming tussen partijen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Verder ontbreekt ook aan de zijde van The Tara een goede verklaring waarom zij – na de vermeende instemming van werknemer – nadien een gewijzigde beëindigingsovereenkomst aan werknemer heeft voorgelegd. De beëindigingsovereenkomsten zijn nimmer door werknemer getekend. De toezending na 31 oktober 2016 van de salarisspecificaties – die werknemer dus pas bijna drie weken later, op 18 november 2016 ontving – maakt niet dat de sms achteraf ineens wel als duidelijke en ondubbelzinnige verklaring kan worden aangemerkt. Datzelfde geldt ook voor een naderhand verstrekte toelichting van de gemachtigde van werknemer (The Tara doelt op de door haar aangehaalde passage uit de brief van 5 december 2016), waarbij bovendien geldt dat de gemachtigde in die brief juist bevestigt dat werknemer niet instemt met de voorgelegde beëindigingsovereenkomst. Nu er geen sprake is van een instemming van werknemer met de aan hem voorgelegde beëindigingsovereenkomst(en) moet de vraag beantwoord worden of The Tara de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Deze vraag moet beantwoord worden aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 3:35 BW (HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387 (Grillroom Ramses II)). Bovendien geldt dat voor de opzegging niet het gebruik van het woord ‘opzegging’ is vereist, maar de opzegging ingevolge artikel 3:37 lid 1 BW vormloos kan geschieden. De werknemer moet uit de gedragingen van de werkgever kunnen opmaken dat opzegging is beoogd. Werknemer heeft de opzegging kunnen opmaken uit het feit dat hij niet meer werd ingeroosterd, hij na 1 december 2016 geen loon meer ontving en The Tara overging tot het opmaken van de eindafrekening per die datum en tot het uitbetalen van de transitievergoeding. Dat The Tara zich ten onrechte op het standpunt is blijven stellen dat zij dit heeft gedaan uit hoofde van de nakoming van de in haar visie tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst, maakt dat niet anders. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is dus niet rechtsgeldig nu een dringende reden ontbreekt en werknemer evenmin met de opzegging heeft ingestemd. The Tara heeft aldus opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Die opzegging is als zodanig al ernstig verwijtbaar, en het verzoek van werknemer om toekenning van een billijke vergoeding moet dan ook worden toegewezen
Billijke vergoeding/schadevergoeding
Het is onfatsoenlijk en in strijd met het goed werkgeverschap dat The Tara ertoe is overgegaan om de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst te forceren en botweg het salaris van werknemer stop te zetten. Dit heeft voor werknemer tot gevolg gehad dat hij zonder baan en inkomen kwam te zitten en ook geen aanspraak heeft kunnen maken op een WW-uitkering. De kantonrechter houdt er rekening mee dat de arbeidsovereenkomst naar alle waarschijnlijkheid wel op afzienbare termijn tot een einde was gekomen nu partijen daarover al in vergaande mate in onderhandeling waren. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 5000 bruto. Verder is The Tara een schadevergoeding verschuldigd ter hoogte van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, van € 3194,10 bruto.