Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 5 april 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1748
werknemer/Stichting Regionaal Opleidingencentrum van Amsterdam
Feiten
X is op 1 augustus 2001 in dienst getreden bij ROCvA. X is sinds 21 november 2011 arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 15 november 2013 van het UWV is aan ROCvA een loonsanctie opgelegd van 52 weken tot 25 december 2014, omdat ROCvA niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Met ingang van 25 december 2014 is aan X een WGA-uitkering toegekend, uitgaande van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 78,58%. Bij besluit van 6 januari 2015 heeft ROCvA het dienstverband met X opgezegd tegen 1 mei 2015. X is tegen dit besluit opgekomen bij de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep heeft op 16 juli 2015 het beroep gegrond verklaard. De Commissie van Beroep heeft geoordeeld dat X op de datum van de opzegging meer dan twee jaar arbeidsongeschikt was, dat niet is gebleken dat er een concreet uitzicht op herstel was binnen zes maanden, maar dat ROCvA niet heeft voldaan aan artikel 20 lid 2 onderdeel c jo. lid 7 ZAR-BVE door, kort gezegd, geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te hebben uitgevoerd. X stelt derhalve primair dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat ROCvA geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Commissie van Beroep en subsidiair op grond van het gevolgencriterium.
Oordeel
Status beslissing van de Commissie van Beroep
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een oordeel van de Commissie van Beroep niet als bindend advies kan worden aangemerkt en X niet gebonden is aan een oordeel van de Commissie van Beroep, tenzij partijen dit ondubbelzinnig zijn overeengekomen. In latere (lagere) rechtspraak is eveneens geoordeeld dat de werkgever niet gebonden is aan een oordeel van de Commissie van Beroep. Nu de Commissie van Beroep het beroep van X gegrond heeft verklaard, betekent dat niet dat het ontslag nietig is. Als het schoolbestuur de uitspraak van de Commissie van Beroep naast zich neerlegt, staan daar geen sancties tegenover. Wel kan X een kennelijk-onredelijkontslagprocedure entameren. Volgens ROCvA brengt artikel 12.2 van de destijds geldende cao mbo-bepaling niet met zich dat zij gebonden is aan het oordeel van de Commissie van Beroep. De kantonrechter volgt de ROCvA daarin niet. Weliswaar kan de omstandigheid dat een werkgever het oordeel van de Commissie van Beroep naast zich neerlegt niet de nietigheid van een ontslag met zich brengen, maar dat laat onverlet de mogelijkheid de werkgever op grond van bedoelde cao-bepaling gebonden te achten aan oordelen van de Commissie van Beroep op basis waarvan een beroep van een werknemer gegrond wordt geacht. De arresten van de Hoge Raad waarop de ROCvA heeft gewezen verzetten zich geenszins tegen een zodanige uitleg van meer bedoelde cao-bepaling. Dat artikel 4.1.6 WEB te zien valt als een bekostigingsvoorwaarde staat evenmin in de weg aan de hiervoor aangeduide uitleg van de bewuste cao-bepaling. Niets wijst erop dat de cao-bepaling slechts beoogt een overzetting van de WEB-bepaling te zijn. In het onderhavige geval betekent het vorenstaande dat ROCvA in beginsel gebonden is aan het oordeel van de Commissie van Beroep dat het X gegeven ontslag in strijd met artikel 20 lid 7 ZAR-BVE is gegeven, omdat de werkgever geen zorgvuldig onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden binnen het ROC heeft verricht.
Kennelijk onredelijk ontslag
Het ontslag is kennelijk onredelijk. De vordering tot herstel van het dienstverband is echter niet toewijsbaar, omdat uit de tussen partijen gewisselde stukken blijkt dat X zijn medewerking tot re-integratie steeds afhankelijk stelt van door hem te stellen eisen en als het erop aan komt die medewerking niet, althans onvoldoende, verleent. In onderhavige procedure is bovendien niet gebleken dat bij ROCvA passende of vacante functies voor X beschikbaar zijn, zodat X is aangewezen op werk bij een andere werkgever. Voorts heeft te gelden dat ROCvA eigenrisicodrager in het kader van de WIA is en derhalve uit dien hoofde verantwoordelijk blijft voor de re-integratie van X, zodat het belang bij herstel van de dienstbetrekking ontbreekt. De door X (subsidiair) gevorderde schadevergoeding ad € 100.000 is gebaseerd op de gedachte dat X, zonder het hem gegeven ontslag, in dienst zou zijn gebleven dan wel buiten het ROC zou zijn geplaatst. Tegen de achtergrond van de in het vonnis beschreven feiten acht de kantonrechter het standpunt van X geen juist uitgangspunt. Gelet op die voorgeschiedenis moet er veeleer serieus rekening mee worden gehouden dat, zou ROCvA wel hebben voldaan aan de door de Commissie van Beroep gestelde voorwaarde van eigen herplaatsingsonderzoek overeenkomstig artikel 20 lid 2 onderdeel c jo. lid 7 ZAR-BVE, daarmee een (dan: later) ontslag niet zou zijn voorkomen. Daarbij komt dat (thans) in voldoende mate is komen vast te staan dat herplaatsing bij ROCvA in een passende functie rekening houdend met de beperkingen van X niet voorhanden is. Hoewel door het UWV is vastgesteld dat ROCvA onvoldoende heeft gedaan tot re-integratie in het tweede spoor moet worden meegewogen de bepaald niet als meewerkend aan te duiden houding van X zoals die uit de door partijen overgelegde stukken is af te leiden. Zo heeft X onder meer zelf voortdurend conflictsituaties opgeworpen, waardoor het re-integratieproces blokkeerde, heeft hij onvoldoende medewerking verleend aan mediation, is hij niet ingegaan op de mogelijkheid om te re-integreren, heeft hij afspraken afgezegd, waardoor de begeleiding veel later op gang kwam. Alles overziend wordt een schadevergoeding van € 7500 bruto toegewezen.