Naar boven ↑

Rechtspraak

Raad voor Rechtsbijstand/werknemer en Stichting Batna
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11 april 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:1553

Raad voor Rechtsbijstand/werknemer en Stichting Batna

Uitleg ‘transitieovereenkomst’ waarin de Raad voor Rechtsbijstand wachtgeldverplichtingen van een failliete stichting overneemt, die alsnog uit faillissement komt. Beroep op schuldoverneming wachtgeldaanspraken ex-werknemers niet in strijd met artikel 6:248 BW. Toepasselijke wachtgeldregeling na overgangsregeling?

Feiten

Werknemer is met ingang van 15 december 1980 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Stichting Rechtshulp Zuid Advocaten (hierna te noemen: RZA). Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van regiomanager. Bij beschikking van de kantonrechter van de Rechtbank Maastricht, locatie Heerlen, van 12 december 2007 is de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en RZA ontbonden per 1 januari 2008, waarbij aan werknemer ten laste van RZA een vergoeding is toegekend ‘conform de wachtgelduitkering op grond van de CAO Rechtsbijstand’, met veroordeling van RZA tot betaling van deze vergoeding. Bij vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2013 is het schuldeisersakkoord, waarin RZA volledige betaling van de erkende vorderingen aanbood, gehomologeerd. Het faillissement van RZA is vervolgens geëindigd doordat voormeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De Raad heeft daarop de betaling van het wachtgeld aan de uitvoeringsinstanties stopgezet. Sedertdien heeft RZA het wachtgeld aan de uitvoeringsinstanties voldaan. Bij notariële akte d.d. 26 augustus 2013 zijn de statuten van RZA gewijzigd, waarbij ook de naam van RZA is gewijzigd in Stichting BATNA. Werknemer heeft deze Stichting aangesproken op bestaling van de wachtgelden. De Stichting heeft de Raad in rechte betrokken.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Transitieovereenkomst niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid

In de vrijwaringszaak beroept de Raad zich op de geest van de destijds gesloten transitieovereenkomst, waarin zij de betalingsverplichtingen van de Stichting heeft overgenomen. De stelling van de Raad heeft betrekking op de financiële situatie van de Stichting die, naar het zich thans laat aanzien, veel beter is dan de Raad in september 2005 voor ogen had. De omstandigheid dat de Stichting in de loop der tijd in betere doen is komen te verkeren is, naar het oordeel van het hof, evenwel onvoldoende om een beroep op de onaanvaardbaarheid te honoreren. Het zal zich in de rechtspraktijk vaker voordoen dat een contractspartij in een betere (of slechtere) financiële positie komt te verkeren. Die omstandigheid is onvoldoende voor wijziging van de contractuele verplichtingen. Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel nopen, zijn gesteld noch gebleken.

Publieke middelen als onaanvaardbaarheidstoetsing

De Raad stelt dan dat sprake is van publieke gelden waarin grond is gelegen om het beroep op de transitieovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. De stelling wordt verworpen. Van de Raad wordt niet verlangd dat zij – zoals tussen partijen is overeengekomen – meer of anders aan de Stichting vergoedt dan door de Stichting aan werknemer is uitgekeerd. Het gaat er dan niet om dat de Stichting wordt verrijkt met publieke gelden. Zij ontvangt wat zij heeft voorgeschoten. Dat de Stichting het indertijd aan werknemer uitgekeerde geld nu niet nodig heeft of niet zal besteden aan rechtshulp aan on- en minvermogenden, is onvoldoende voor honorering van een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Welke wachtgeldregeling

De rechtsvraag die voorligt is derhalve of na het verstrijken van de periode waarin het Overgangsprotocol gold, en waarna de CAO Welzijn geldt, aan de rechten (het wachtgeld c.a.) eerbiedigende werking toekomt, zoals werknemer kennelijk bepleit, of dat de CAO Welzijn in volle omvang onmiddellijke werking toekomt, zoals de Raad bepleit. Bij de beoordeling neemt het hof eerst in overweging dat onmiddellijke werking, tenzij anders wordt bepaald, wat hier niet het geval is, als uitgangspunt heeft te gelden. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het Overgangsprotocol van zichzelf een overgangsregeling is. Dat protocol strekt ertoe de overgang van de CAO Rechtsbijstand naar de CAO Welzijn te regelen. De werking van zodanige regeling is uit zijn aard beperkt in de tijd, namelijk totdat de overgang is voltooid. Eerbiedigende werking van de Overgangsregeling valt daarmee moeilijk te verenigen. Tegen deze achtergrond is het aan de Stichting (en werkenemr) om argumenten aan te dragen waarom van de hoofdregel onmiddellijke werking afgeweken moet worden. Het hof zal partijen in gelegenheid stellen standpunt in te nemen. Volgt aanhouding van de zaak.