Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Botebe B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12 april 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:2159

werknemer/Botebe B.V.

Slechte financiële positie werkgever niet relevant bij toekennen transitievergoeding. Zelfstandig tegenverzoek (beroep op overbruggingsregeling transitievergoeding) is gelet op vervaltermijn te laat ingediend.

Feiten

(Vervolg AR 2017-0229.) Het verzoek van werknemer strekt tot veroordeling van Botobe tot betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 BW ten bedrage van € 7106 bruto. Botobe heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Botobe voert aan dat de transitievergoeding lager is dan het door werknemer gevorderde en bovendien dat de overbruggingsregeling transitievergoeding ten onrechte niet is toegekend. Toekennen van enig bedrag aan transitievergoeding is gezien de uitermate slechte positie van Botobe en de (persoonlijke) gevolgen bij toewijzing van enig bedrag, naar het oordeel van Botobe naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Oordeel

Het betoog van Botobe dat het toekennen van enig bedrag aan transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, faalt. Werknemer heeft in beginsel wettelijk aanspraak op een transitievergoeding (art. 7:673 lid 1 BW) die in hoogte kan worden beperkt door toepassing van artikel 7:673d BW, mits de werkgever aan de aldaar gestelde voorwaarden voldoet. De beweerdelijke slechte financiële positie van en de persoonlijke gevolgen voor de werkgever zijn voor toekenning van de transitievergoeding niet relevant. Redelijkheid en billijkheid vormen in dit kader geen grond om de transitievergoeding niet toe te kennen. De vraag of de overbruggingsregeling terecht of ten onrechte door het UWV niet is toegekend ligt in deze procedure niet voor. Het verzoek van werknemer wordt toegewezen.

Tegenverzoek

Botobe heeft bij wege van verweer primair verzocht de transitievergoeding op grond van de overbruggingsregeling transitievergoeding (art. 7:673d lid 1 BW jo. art. 24 Ontslagregeling) vast te stellen op € 1983 bruto, subsidiair op € 7106 bruto, beide met bepaling dat de bedragen in termijnen kunnen worden betaald. Bij tussenbeschikking van 14 februari 2017 (AR 2017-0229) is bepaald dat de kantonrechter het verweer van Botobe aldus leest dat het verweer tevens inhoudt een zelfstandig tegenverzoek strekkende tot toekenning van een transitievergoeding als hiervoor weergegeven en dat ook ten aanzien van een zelfstandig tegenverzoek een vervaltermijn geldt van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. In de onderhavige zaak is de arbeidsovereenkomst geëindigd per 1 oktober 2016. Het verweerschrift tevens houdende zelfstandig tegenverzoek van Botobe had, gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel b BW, uiterlijk op 31 december 2016 door de rechtbank moeten zijn ontvangen. Het verweerschrift tevens houdende zelfstandig tegenverzoek is evenwel pas op 27 januari 2017 ontvangen, derhalve buiten de vervaltermijn. Botobe wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar tegenverzoek.