Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 april 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:1466
werkneemster/Stichting Cordaan
Feiten
Werkneemster is sinds 2008 in dienst bij stichting Cordaan. Vanaf 2009 is zij regelmatig vanwege arbeidsongeschiktheid (gedeeltelijk) afwezig geweest. Op 12 april 2016 hebben partijen een plan van aanpak opgesteld en ondertekend. Op 3 mei 2016 is het plan van aanpak bijgesteld, omdat werkneemster een deskundigenoordeel heeft aangevraagd en geen invulling heeft gegeven aan haar re-integratieactiviteiten. Afgesproken is dat werkneemster tot 3 juni 2016 verlof opneemt. Cordaan heeft op 9 juni 2016 het loon van werkneemster stopgezet, omdat werkneemster zich niet houdt aan de re-integratieafspraken. Werkneemster heeft een loonvordering ingesteld over de periode vanaf 8 juni 2016 tot aan de datum van het vonnis. De kantonrechter heeft de vordering van werkneemster afgewezen. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.
Oordeel
Partijen verschillen in de kern van mening over wat zij op 3 mei 2016 hebben afgesproken over het moment waarop werkneemster in het kader van haar re-integratie de – volgens de bedrijfsarts – voor haar passende arbeid diende te verrichten. Werkneemster heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij niet, althans onvoldoende, concreet onderbouwd heeft dat zij vanaf 8 juni 2016 niet in staat was om de door Cordaan aangeboden passende arbeid op de locatie X te verrichten. Omdat de bedrijfsarts werkneemster op 8 april 2016 geschikt achtte voor eigen werk op een andere locatie voor drie dagen van 4 uur en Cordaan en werkneemster in overeenstemming met het – ook door werkneemster ondertekende – plan van aanpak van 12 april 2016, op 18 april 2016 hebben afgesproken dat werkneemster op 26 april om 9:00 uur zou starten met haar werkzaamheden, was werkneemster met ingang van die datum op grond van artikel 7:660a onderdeel c BW verplicht de haar opgedragen passende arbeid te verrichten. Werkneemster meldde zich echter niet, evenmin voor het drinken van een kopje koffie. De bijstelling van het plan van aanpak van 3 mei 2016 vond plaats naar aanleiding van het feit dat werkneemster een deskundigenoordeel aangevraagd had en geen invulling gegeven had aan haar re-integratieactiviteiten. Deze aanleiding brengt niet mee dat werkneemster geen re-integratiewerkzaamheden hoefde te verrichten zolang de bedrijfsarts haar belastbaarheid niet herbeoordeeld zou hebben. Dat blijkt evenmin uit de inhoud van de bijstelling van het plan van aanpak. Integendeel: de bijstelling vermeldt als afspraken onder meer dat op 7 juni 2016 een volgend re-integratieoverleg zal plaatsvinden. Gegeven de duidelijke re-integratieafspraak over de hervatting door werkneemster van de voor haar passende arbeid met ingang van 26 april 2016 en de aanleiding en inhoud van de bijstelling van het plan van aanpak van 3 mei 2016 mocht zij er niet op vertrouwen dat zij niet gehouden was de voor haar passende arbeid te verrichten zolang er geen herbeoordeling had plaatsgevonden door de bedrijfsarts op basis van het door haar gevraagde deskundigenoordeel. Dat zou slechts anders zijn indien uit de bewoordingen van de brief van 13 mei 2016 van Cordaan een duidelijke afspraak met die strekking zou blijken. Daarvan is echter geen sprake. Weliswaar is enige twijfel mogelijk over de interpretatie van de woorden ‘dit advies’, maar uit de tekst van de brief blijkt duidelijk dat Cordaan het advies van de bedrijfsarts volgt totdat de beschikking van het UWV bekend is, dat vanaf 3 juni 2016 het verlof van werkneemster stopt en dat Cordaan, als werkneemster zich niet aan de re-integratieafspraken houdt, genoodzaakt is het loon stop te zetten. Uit deze tekst blijkt dat zolang het deskundigenoordeel van het UWV niet bekend is, Cordaan verwacht dat werkneemster zich houdt aan de door de bedrijfsarts geadviseerde bestaande re-integratieafspraak. Op grond van het bijgestelde plan van aanpak van 3 mei 2016 zou die re-integratie op 7 juni 2016 weer besproken worden. Cordaan was gerechtigd het loon stop te zetten gedurende de tijd dat werkneemster, in afwachting van het deskundigenoordeel van het UWV, de haar opgedragen passende werkzaamheden op locatie X niet verrichtte. Dat werkneemster die passende werkzaamheden niet zou gaan verrichten, bleek tijdens het re-integratiegesprek van 7 juni 2016, tijdens welk gesprek werkneemster ook aangaf geen vervolg te zullen geven aan het traject Mentaal Beter Werkt. Uit het formulier ‘Bijstellingplan van aanpak WIA’ van 7 juni 2016 blijkt dat werkneemster reeds tijdens het gesprek door Cordaan medegedeeld is dat de loonbetaling zou worden gestopt. Daarmee is aan het vereiste van onverwijlde mededeling voldaan.
Dit betekent dat de loonstopzetting met ingang van 8 juni 2016 zowel aan de materiële eis van artikel 7:629 lid 3 onderdeel c BW als aan de formele eis van artikel 7:629 lid 7 BW voldoet en werkneemster vanaf die datum geen recht heeft op loon.