Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 12 mei 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:4387

werkgever/werknemer

Het niet voortvarend oppakken en uitvoeren van re-integratiewerkzaamheden door werknemer is dermate ernstig is dat dit de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW rechtvaardigt.

Feiten

Werknemer is op 3 januari 2011 bij werkgever in dienst getreden in de functie van vestigingsmanager. Werknemer is ten tijde van onderhavige procedure arbeidsongeschikt. Werkgever heeft bij verzoekschrift van 22 september 2016 de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, dit verzoek is afgewezen. Werknemer heeft in kort geding onder meer het loon gevorderd vanaf 22 augustus 2016 (datum stopzetting), deze vordering is toegewezen. Kort gezegd verschillen partijen nu van mening over de vraag of de door werkgever aangeboden werkzaamheden in het kader van de re-integratie passend zijn en of deze voortvarend worden opgepakt en uitgevoerd door werknemer. Werkgever verzoekt – samengevat – de tussen haar en werknemer bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden primair ex artikel 7:686 BW. Werknemer heeft verweer gevoerd.

Oordeel

Voor ontbinding op grond van artikel 7:686 BW dienen de tekortkomingen volgens vaste jurisprudentie dermate ernstig te zijn dat deze ‘aanleunen’ tegen de dringende reden op grond waarvan ontslag op staande voet verleend kan worden. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan thans sprake. Bij deskundigenbericht van het UWV d.d. 12 januari 2017 is geoordeeld is dat de aangeboden werkzaamheden niet passend waren vanwege het gebruik van een oortje. Bij deskundigenoordeel van 21 februari 2017 is evenwel geoordeeld dat het gebruik van een oortje niet vereist is en dat er verder geen medische gronden zijn om de werkzaamheden niet te hervatten, zij het volgens een opbouwschema. Werknemer is vervolgens door werkgever op 22 februari 2017 opgeroepen om op de 23e om 11:00 uur in Helmond te verschijnen, waarbij uitvoerig melding wordt gemaakt van het daags daarvoor uitgebrachte deskundigenbericht en hetgeen daarin is geoordeeld. Werknemer is op 23 februari 2017 zonder bericht niet verschenen. Vervolgens is werknemer bij e-mail van 23 februari 2017 11:47 uur opgeroepen om op 24 februari 2017 om 9:00 uur in Helmond zijn re-integratie te hervatten, zulks onder vermelding van de mogelijkheid van een ontslag op staande voet indien hij hieraan niet zou voldoen. Werknemer is op 24 februari 2017 evenmin verschenen. Dat de gemachtigde van werknemer bij e-mail van 23 februari 2017 om 14:03 uur heeft verzocht om toezending van het deskundigenbericht, staat er niet aan in de weg dat werknemer op de 24e had moeten verschijnen om zijn re-integratie aan te vangen. Ten aanzien van de totstandkoming van dit rapport wijst de kantonrechter erop dat werknemer twee keer is uitgenodigd om met de arbeidsdeskundige te spreken, in Den Bosch en in Helmond, doch dat hij dit twee keer geweigerd heeft omdat de arbeidsdeskundige in zijn beleving naar Roermond diende te komen. Het is echter niet aan werknemer om dit soort voorwaarden te stellen. De kantonrechter acht het verwijtbaar dat werknemer bij herhaling zonder geldige reden heeft nagelaten aan de oproepen van werkgever gevolg te geven en kwalificeert dit als werkweigering, hetgeen een dringende reden voor ontslag op staande voet kan zijn. Hierbij overweegt de kantonrechter nog dat ook een reeds bestaande loonopschorting werknemer niet op andere gedachten heeft kunnen brengen. Dit betekent dat de tekortkoming van werknemer in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, waar het hier met name gaat over het voortvarend oppakken en uitvoeren van re-integratiewerkzaamheden, naar het oordeel van de kantonrechter dermate ernstig is dat deze de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW rechtvaardigt. De kantonrechter zal de overeenkomst dan ook op deze grond ontbinden en wel per 1 juni 2017. Nu werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal de verzochte transitievergoeding worden afgewezen.