Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten/Y c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 mei 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:2407

Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten/Y c.s.

Vordering van Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten tegen de voormalige en huidige bestuurders van de vennootschap die de NBBU-cao heeft overtreden, wordt voor twee van de drie bestuurders toegewezen, omdat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid.

Feiten

SNCU is de stichting aan welke de partijen bij de cao SFU 2009-2011 de controle en het toezicht op de naleving van de ABU-cao voor Uitzendkrachten, de NBBU-cao voor Uitzendkrachten en de cao SFU hebben opgedragen. Gedaagde 3 is tot 11 juni 2016 enig aandeelhoudster en enig, zelfstandig bevoegd bestuurder van bedrijf X geweest. Op 10 april 2013 heeft SNCU een onderzoek gestart naar de naleving door bedrijf X van de toenmalige NBBU-cao en cao SFU, en wel in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 maart 2012. Aan de hand van een steekproef van 15 werknemers heeft onderzoeksbureau 1 bij rapport van 21 februari 2014 geconcludeerd dat bedrijf X in de genoemde onderzoeksperiode niet of niet geheel aan de NBBU-cao 2009-2013 heeft voldaan, de totale indicatieve materiële schadelast is gesteld op € 88.665. Op 11 juni 2016 heeft gedaagde 3 haar aandelen in bedrijf X tegen een koopsom van € 500 verkocht aan Stichting Y. Op 25 juli 2016 heeft Stichting Y de onderneming van bedrijf X overgedragen aan gedaagde 1, waarvan gedaagde 2 vanaf die datum enig aandeelhouder en bestuurder is. Toen SNCU hiermee bekend werd, heeft zij bij brief van 3 augustus 2016 gedaagde 3 persoonlijk aansprakelijk gesteld en heeft zij bij brief van 9 september 2016 gedaagde 1 van haar vordering op de hoogte gesteld en zowel deze vennootschap als haar bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld. Tot enige betaling heeft dat niet geleid. Gedaagde 2 heeft op 21 september 2016 bij de politie aangifte gedaan van oplichting en identiteitsfraude. SNCU vordert in dit geding onder meer dat gedaagde 1 wordt veroordeeld tot naleving van de NBBU-cao en de cao SFU.

Oordeel

Niet in geschil is dat het SNCU-onderzoek naar de cao-naleving door bedrijf X in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 maart 2012 is verricht in overeenstemming met de daaromtrent in de cao SFU gestelde regels. Het voorgaande brengt mee dat bedrijf X vanaf medio juli 2014 in verzuim was met de betaling van € 87.228 aan haar (gewezen) werknemers en dat zij aan SNCU een schadevergoeding van € 34.269 verschuldigd was. Toen de onderneming van bedrijf X op 25 juli 2016 aan gedaagde 1 werd overgedragen, zijn deze betalingsverplichtingen op die vennootschap overgegaan. Hieruit volgt dat de vordering die SNCU tegen gedaagde 1 heeft ingesteld, en die strekt tot hoofdelijke veroordeling van deze vennootschap tot betaling aan de betrokken (gewezen) werknemers van € 87.228 en tot voldoening aan SNCU van een schadevergoeding van € 34.269 toewijsbaar is. Op vordering van SNCU zal eerstbedoeld onderdeel van deze vordering met een dwangsom worden versterkt. De vordering van SNCU die is gericht tegen gedaagde 3 is gebaseerd op haar aansprakelijkheid als bestuurder van bedrijf X. Wat SNCU gedaagde 3 (onder meer) verwijt is dat zij, toen zij – eenmaal bestuurder – in de loop van 2014 bekend was met de eerdere cao-overtredingen van haar vennootschap en de daaraan ingevolge de cao’s verbonden betalingsverplichtingen, heeft nagelaten financiële middelen van bedrijf X aan te wenden of vrij te maken ter delging van althans een deel van de schuld aan de oud-medewerkers. Niet is gesteld of gebleken dat gedaagde 3 zich ervoor heeft beijverd een kredietfaciliteit te verwerven waarmee de litigieuze vordering kon worden voldaan en niet aannemelijk is gemaakt dat deze inspanningen tot niets zouden hebben geleid. Gedaagde 3 had al geruime tijd vóór de aandelentransactie rekening moeten houden met een nabetalingsverplichting ter hoogte van ruim € 87.000, alsook met de verplichting tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding aan SNCU. Door deze verplichtingen niet in de boekhouding te verantwoorden, heeft zij de waarde van de vennootschap willens en wetens gunstiger voorgesteld dan die in werkelijkheid was. Door haar handelwijze heeft gedaagde 3 voorts, gelet op de in de uitzendbranche gegroeide praktijk van wat SNCU ter zitting de ‘turbo liquidaties’ en de inzet van ‘katvangers’ heeft genoemd (van welke praktijk gedaagde 3, gezien haar ervaring in de sector, geacht moet worden te hebben geweten), het bepaald niet denkbeeldige gevaar in het leven geroepen dat Stichting Y de onderneming van bedrijf X zou overdoen aan een vennootschap die niet de bedoeling had om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten en geen verhaal zou bieden. Hiervan treft haar een ernstig verwijt. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook de vordering die SNCU tegen gedaagde 3 heeft ingesteld wordt toegewezen. SNCU heeft haar vordering tegen gedaagde 2 gebaseerd op zijn aansprakelijkheid als bestuurder van gedaagde 1 sinds 25 juli 2016. Voor de conclusie dat gedaagde 2 een ernstig verwijt treft en daarom, net als gedaagde 3, persoonlijk aansprakelijk is, bestaat daarom onvoldoende grondslag. De tegen hem ingestelde vordering wordt afgewezen.