Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 mei 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:2192

werknemer/werkgeefster

Docent heeft op grond van de meerurenregeling, zoals vastgelegd in het voor het schooljaar 2014-2015 vastgestelde taakbeleid, recht op uitbetaling van de volledige 30 uren. Geen vergoeding deskundigheidsbevordering.

Feiten

Werknemer is sinds 1 augustus 2006 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van werkgeefster in de functie van docent. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de cao voor het voortgezet onderwijs van toepassing (hierna: cao VO). In het schooljaar 2014-2015 was dat de cao VO 2014-2015. Deze cao is van toepassing gebleven tot 1 juli 2016. Op die datum is de cao VO 2016-2017 in werking getreden. Op grond van artikel 8 van de cao VO 2014-2015 wordt het taakbeleid door de werkgever vastgesteld in overleg met de PMR en is voor een wijziging van het geldende taakbeleid ook de goedkeuring van 2/3 deel van het personeel vereist. De individuele normtaak van werknemer bedroeg in het schooljaar 2014/2015 in totaal 1025 uren. Dat is 30 uren meer dan de normtaak die op grond van artikel 2 cao VO 2014-2015 (1 fte is 1659 klokuren) overeenkomt met 0,6 fte. Werkgeefster heeft het taakbeleid in 2015 gewijzigd met instemming van de PMR en met goedkeuring van 2/3 deel van het personeel. Werknemer vordert thans betaling van een bedrag van € 1020,96 bruto voor 30 gewerkte uren in het schooljaar 2014-2015. Werknemer erkent dat de cao VO alleen geen grondslag biedt voor uitbetaling van de 30 normuren. Hij baseert zijn vordering op de aan hem opgedragen normtaak en het oude taakbelastingsbeleid voor te veel gewerkte uren. Werknemer betwist dat de PMR heeft ingestemd met het vervallen van individuele rechten op grond van overschrijding van de normjaartaak in het schooljaar 2014/2015. Werkgeefster voert verweer. Subsidiair heeft werkgeefster aangevoerd dat zij met toepassing van de Stoof/Mammoet-criteria de arbeidsvoorwaarden eenzijdig heeft kunnen wijzigen vanwege de zeer slechte financiële situatie waarin de school zich bevond. Werknemer vordert verder nog aan hem 30 uren toe te kennen ten behoeve van deskundigheidsbevordering, te besteden in het schooljaar 2016-2017. Hij grondt die vordering op artikel 17.4 van de cao VO.

Oordeel

30 uren overschrijding

Tussen partijen is niet in geschil dat werkgeefster voor het schooljaar 2014-2015 aan werknemer taken heeft toebedeeld waarvoor 1025 normuren staan. Dat is 30 normuren meer dan het aantal normuren dat correspondeerde met zijn aanstelling. De kantonrechter verwerpt het verweer van werkgeefster dat zij geen opdracht heeft gegeven aan werknemer om meer uren te werken dan het aantal uren waarvoor hij was aangesteld. Voor zover werkgeefster heeft willen stellen dat werknemer zijn taken had kunnen verrichten in minder uren dan het aantal normuren wordt die stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen. De bewoordingen waarin het nieuwe taakbeleid is vastgelegd moeten worden uitgelegd volgens de cao-norm (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889 en HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687). De kantonrechter oordeelt dat de uitleg die werknemer aan het gewijzigde beleid geeft juist is. Onder het kopje ‘Taakbeleid’ staat immers na het eerste gedachtestreepje met zoveel woorden: ‘De afspraken zijn geldig voor twee cursusjaren: 2015-2016 en 2016-2017.’Pas na het derde gedachtestreepje staan de woorden waarop werkgeefster zich beroept. Het cursusjaar 2014-2015 staat daar niet genoemd. Ook onder het kopje ‘Geschillen’ staat niet dat partijen het taakbeleid voor het schooljaar 2014-2015 hebben willen wijzigen. De kantonrechter oordeelt dat de PMR niet heeft ingestemd met een wijziging van het taakbeleid voor het schooljaar 2014-2015. Werkgeefster heeft ook aangevoerd dat de vakbonden die partij zijn bij de cao VO hebben ingestemd met de wijziging van het taakbeleid voor het schooljaar 2014-2015 en dat de vakbonden die een bevoegdheid bij cao hebben gedelegeerd die bevoegdheid ook weer terug kunnen nemen. Die stelling is onvoldoende onderbouwd. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter niet hoeft te beoordelen of het taakbeleid dat via de cao onderdeel is van de individuele arbeidsovereenkomst tijdens een lopend schooljaar gewijzigd kan worden.

Eenzijdige wijziging

Werkgeefster heeft zich subsidiair beroepen op een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een zwaarwegend belang had om niet over te gaan tot het compenseren dan wel afrekenen van de meeruren uit het schooljaar 2014-2015. Werkgeefster heeft slechts in algemene termen gesteld dat zij een zwaarwichtig belang had vanwege de destijds bestaande slechte financiële situatie. Dit wordt echter gemotiveerd betwist door werknemer. Werkgeefster heeft niet becijferd welk bedrag er met uitbetaling van de meeruren gemoeid is. Zij heeft ook nagelaten haar (slechte) financiële situatie cijfermatig te onderbouwen. De slotsom is dat op grond van de meerurenregeling, zoals vastgelegd in het voor het schooljaar 2014-2015 vastgestelde taakbeleid, werknemer recht heeft op uitbetaling van de volledige 30 uren. Compensatie of verrekening van (een deel van) deze uren in het daarop volgende schooljaar 2015-2016 is immers niet meer mogelijk.

Vergoeding deskundigheidsbevordering

Partijen twisten over de uitleg van artikel 17.4.1 van de cao VO 2014-2015. norm. Aan de hand van de cao-norm wordt het artikel als volgt uitgelegd. In artikel 6.1 lid 2 van de cao 2014/2015 is bepaald dat rechten en plichten van de werknemer gelden naar rato van de betrekkingsomvang, tenzij elders in de cao anders is bepaald. Op een aantal plaatsen in de cao is anders bepaald. Een voorbeeld is artikel 16.1.3 over kort durend verlof. In dat artikellid is uitdrukkelijk afgeweken van het bepaalde in artikel 6.1.2. Een dergelijke afwijking is niet gemaakt ten aanzien van artikel 17.4.1 waarop werknemer zich beroept. De woorden ‘ten minste’ zijn te onbepaald om als een afwijking van artikel 6.1.2 te kunnen worden opgevat. Met die woorden is een bodem gelegd in het aantal uren voor een fulltimer. De woorden zeggen op zichzelf niets over de rechten van parttimers. De tweede vordering van werknemer wordt daarom afgewezen.