Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 2 juni 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:1990
werknemer/werkgever
Feiten
In 2011 is werknemer in dienst getreden van C als beheerder van een bedrijfsterrein. In 2012 is werknemer in dienst getreden van B als beheerder van het bedrijfsterrein. D is bestuurder van C en B. Na verkregen toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werknemer verzoekt primair om toekenning van een billijke vergoeding (ex art. 7:682 lid 1 onderdeel b BW). Hij voert aan dat in de procedure bij het UWV opzettelijk onjuiste althans onvolledige informatie is verstrekt.
Oordeel
Gelet op de redactie van artikel 7:682 lid 1 BW bevreemdt het de kantonrechter enigszins dat werknemer primair verzoekt om een billijke vergoeding (lid 1 onderdeel b) en subsidiair om herstel van de arbeidsovereenkomst (lid 1 onderdeel a). De kantonrechter heeft echter begrepen dat werknemer voor deze ‘insteek’ heeft gekozen vanwege het feit dat B niet meer bestaat. Dit betekent dat het subsidiaire verzoek hoe dan ook dient te worden afgewezen. Ten aanzien van het primaire verzoek om een billijke vergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. Voor toekenning van een billijke vergoeding is in de eerste plaats vereist dat sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW en dat ontslag wegens een bedrijfseconomische reden niet gerechtvaardigd is. Die situatie doet zich niet voor. B heeft aan de ontslagaanvraag voor werknemer bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd en daarbij aangegeven dat zij haar activiteiten beëindigt en ophoudt te bestaan. Werknemer heeft dit erkend. Ter zitting heeft werknemer gesuggereerd dat B is opgeheven met het enkele doel om af te komen van het dienstverband met werknemer. Werknemer heeft deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. B heeft verder aangegeven dat C haar activiteiten voortzet, maar dat zij hiervoor geen gebruik hoeft te maken van het bedrijfsterrein en de hierop geplaatste loodsen. Er bestaat geen behoefte meer aan een beheerder van het bedrijfsterrein. Het feit dat B tegenover het UWV geen gewag heeft gemaakt van de terughuuroptie kwalificeert als zodanig niet als een valse of voorgewende reden. Het betreft een door D aangeboden terughuuroptie van een zeer beperkte omvang die nagenoeg losstaat van het af te stoten bedrijfsterrein. Volgt afwijzing van het verzoek.