Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X c.s.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 13 juni 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:1591

werknemer/X c.s.

Loonvordering. Werknemer heeft zijn stelling dat hij voor werkgever is gaan werken vanaf 2 september 2013 voldoende bewezen met zijn eigen verklaring onder ede, de schriftelijke verklaring van een collega, de betaling door werknemer aan het BP-benzinestation en de betaling door werkgever in november 2013.

Feiten

Op 6 dcember 2013 heeft werknemet met de VOF X een oproepcontract gesloten om met ingang van die datum voor de duur van zes maaden in dienst te treden bij X als chauffeur. Werknemer vordert betaling door de vennoten A en B van VOF X van € 6933,33 aan achterstallig salaris, € 7000 ter zake een lening, alsmede € 1176 en € 1190 ter zake door hem voorgeschoten bedragen. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de gevorderde betaling van € 1380 ter zake van achterstallig salaris, de geldlening van € 7000 en de € 1176 ter zake voorgeschoten boetes toegewezen. Voor het overige is de vordering van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.

Oordeel

Werknemer heeft ter nadere onderbouwing van zijn loonvordering gesteld dat hij met ingang van 2 september 2013 voor X is gaan werken gedurende 40 uur per week. Weliswaar is pas op 6 december 2013 een arbeidsovereenkomst opgesteld, maar de feitelijke werkzaamheden zijn al eerder op 2 september 2013 aangevangen. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij onder meer een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 29 november 2013 van X € 365 heeft ontvangen met als omschrijving ‘salaris week 45’. Voorts heeft hij een schriftelijke verklaring van zijn collega Y overgelegd, waarin deze de gestelde werkzaamheden bevestigt. Ook heeft hij zijn telefoongegevens verstrekt, waaruit blijkt van zijn contacten met X in de periode 1 september 2013 tot en met december 2013. Tussen partijen staat verder vast dat een vrachtauto vanaf september 2013 is gehuurd door X en uit de door werknemer overgelegde tachograafgegevens blijkt dat hij (de vaste) bestuurder was van deze vrachtauto. Tot slot heeft hij op 21 september 2013 in Luxemburg brandstofkosten betaald ten behoeve van een van de door hem uitgevoerde ritten voor een bedrag van € 1190,36, gelet op de locatie en het bedrag een tankbeurt voor een vrachtauto. Hij betaalde deze kosten niet met de tankpas van X, omdat die pas aan zijn limiet zat.

In eerste aanleg heeft A aangevoerd dat werknemer weliswaar per 6 december 2013 een oproepcontract kreeg, maar pas vanaf januari 2014 is opgeroepen en voor het werk vanaf die datum ook is betaald. Van de betaling op 29 november 2013 van € 365 zegt A dat werknemer vermoedelijk een proefrit heeft gemaakt. Het betalen voor brandstof voor X ligt niet in de rede, omdat werknemer beschikte over een tankpas, aldus nog steeds A. Bij de beoordeling van de vordering is allereerst van belang dat B noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is verschenen. Tegen hem is daarom al in eerste instantie verstek verleend, net als daarna in appel. De vordering van werknemer jegens B zal daarom ingevolge artikel 139 Rv worden toegewezen (met dien verstande dat de wettelijke verhoging van het salaris ambtshalve zal worden gematigd tot 10%), nu deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij is nog van belang dat de verweren die door de wel in de procedure verschenen A zijn gevoerd, niet in het voordeel van B werken, aangezien geen sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. Reeds om deze reden kunnen de bestreden vonnissen niet in stand blijven. Bij de beoordeling van de vordering jegens A wordt geoordeeld dat werknemer, op wie de stelplicht en de bewijslast rust, zijn stelling dat hij voor X is gaan werken vanaf 2 september 2013 voldoende heeft bewezen met zijn eigen verklaring onder ede, de schriftelijke verklaring van Y, de gegevens omtrent de huur van de door werknemer bestuurde vrachtauto door X, de gegevens van de tachograaf, de betaling door werknemer aan het BP-benzinestation op 21 september 2013 van € 1190,36 en de betaling door X in november 2013 onder de vermelding ‘salaris week 45’. Het hof beziet deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang en acht het aanvullend bewijs zodanig sterk en zodanig essentiële punten betreffend dat zij de partijgetuigenverklaring van werknemer voldoende geloofwaardig maken. Hetgeen A (in eerste aanleg) heeft aangevoerd ten aanzien van de salarisbetaling in november 2013 en de tachograafgegevens uit december 2013, maakt dit oordeel niet anders, omdat dat voor die betaling en die gegevens geen plausibele verklaring geeft, mede gelet op A zijn stelling dat werknemer eerst in januari 2014 zou zijn opgeroepen om te komen werken. De loonvordering van werknemer zal derhalve ook jegens A worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke verhoging van het salaris ambtshalve zal worden gematigd tot 10%. Nu vaststaat dat werknemer vanaf 2 september 2013 voor X werkte, is ook zijn stelling dat hij 21 september 2013 de brandstof voor de vrachtauto waar hij in reed heeft betaald, hetgeen hij heeft onderbouwd met een bankafschrift, voldoende bewezen, mede in aanmerking genomen de verklaring van Y op dit punt.