Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 9 december 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:12192
GCA Events B.V./werkneemster
Feiten
Werkneemster is in dienst getreden bij GCA en vervulde laatstelijk de functie van cateringmedewerkster/interieurverzorgster op het object Cargill. Cargill heeft aan GCA meegedeeld dat zij zich genoodzaakt had gezien het vertrouwen in werkneemster op te zeggen en dat zij geen toekomst meer voor haar zag bij Cargill. Bij e-mail van 6 oktober 2015 en bij brief van 12 oktober 2015 heeft GCA andere werkzaamheden aangeboden aan werkneemster, te weten schoonmaakwerkzaamheden op een school en bij De Telegraaf. Daarop is werkneemster niet ingegaan. GCA verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Verder verzoekt GCA een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Werkneemster verzoekt bij wijze van tegenverzoek (primair) om toekenning van een billijke vergoeding en (subsidiair) om toekenning van een transitievergoeding.
Oordeel
Vast staat dat Cargill bij herhaling aan GCA heeft laten weten dat zij werkneemster niet meer tewerk wil stellen en haar niet meer zal toelaten tot het verrichten van werkzaamheden. Daarbij heeft Cargill toegelicht dat zij van mening is dat er sprake is van een verstoorde relatie tussen haar en werkneemster en dat zij geen vertrouwen meer in haar heeft. GCA heeft uiteengezet dat zij contact heeft gehad met Cargill, maar dat Cargill is gebleven bij de weigering om werkneemster terug te laten keren op haar werkplek. Het voorgaande brengt mee dat GCA voor het voldongen feit werd geplaatst dat de arbeidsplaats van werkneemster bij Cargill was vervallen. Onder die omstandigheden heeft GCA terecht aanleiding gezien om andere werkzaamheden aan te bieden aan werkneemster. Dat heeft GCA ook gedaan bij e-mail van 6 oktober 2015 en bij brief van 12 oktober 2015, waarbij werkneemster schoonmaakwerkzaamheden zijn aangeboden op een school en bij De Telegraaf. Werkneemster heeft gesteld dat zij niet openstaat voor het aanbod van GCA, omdat zij de aangeboden werkzaamheden vanwege de reistijd niet kan combineren met de zorg voor haar kinderen en omdat sprake is van ander werk dan zij bij Cargill verrichtte. Echter, gelet op het feit dat de arbeidsplaats bij Cargill was wegvallen, kon van werkneemster in redelijkheid gevergd worden dat zij andere werkzaamheden zou accepteren, temeer nu gesteld noch gebleken is dat de aangeboden werkzaamheden niet passend zouden zijn. Daarnaast was GCA bereid tot overleg over de invulling van de reis- en werktijden, maar hiervan is het niet gekomen omdat werkneemster niet meer heeft gereageerd op het aanbod van GCA. De weigering van werkneemster om in te gaan op overleg over de aangeboden werkzaamheden en haar weigering om deze werkzaamheden te accepteren, levert in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden zodanig verwijtbaar handelen op dat van GCA niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal dan ook om die reden worden ontbonden. De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster en dat het einde van de arbeidsovereenkomst daarom moet worden bepaald op een eerder tijdstip. Nu de kantonrechter van oordeel is dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster, heeft zij ook aanspraak op een transitievergoeding. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt daarentegen afgewezen.