Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
(Vervolg tussenbeschikking (AR 2016-1433).) In de tussenbeschikking is werkgeefster veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding aan werknemer en is zij, met het oog op de door werknemer eveneens gevorderde billijke vergoeding, toegelaten de door haar aan de bedrijfssluiting ten grondslag gelegde stellingen te bewijzen. Er zijn verschillende getuigen gehoord. Werknemer heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen tegenbewijs bijgebracht. Werkgeefster is daardoor, naar het oordeel van de kantonrechter, (grotendeels) geslaagd in haar bewijsopdracht. Hoewel niet kan worden ontkend dat sprake is van betrokkenheid van de gehoorde getuigen bij de onderneming van werkgeefster, heeft de kantonrechter – mede gelet op alle schriftelijke stukken (grotendeels) afkomstig uit/van objectieve en onafhankelijke bronnen – geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door deze getuigen (die niet hebben te gelden als partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv) afgelegde verklaringen. De noodzaak tot bedrijfssluiting is voldoende aannemelijk gemaakt. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding, alsmede het verzoek tot betaling van de daarover gevorderde wettelijke rente, wordt afgewezen.