Rechtspraak
werkgever/werknemer
Feiten
Bij beschikking van 22 december 2015 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever ontbonden met ingang van 31 december 2015, met toekenning aan werknemer van een transitievergoeding van € 4414,50 bruto. Daarnaast is werkgever veroordeeld om ten titel van afrekening verlofuren aan werknemer € 2829,60 bruto te betalen ,alsmede € 644,52 bruto ten titel van overuren. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.
Oordeel
Niet-ontvankelijk
Ingevolge de artikelen 359 jo. 278 Rv dient het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust in te houden. De omschrijving van het verzoek dient daaruit te bestaan dat vernietiging van de bestreden beschikking wordt verzocht en voorts wordt aangegeven welke andere beslissing van de rechter in hoger beroep wordt verwacht. Uit het verzoekschrift moet duidelijk blijken wat verzoeker aan de rechter verzoekt en waarop hij dat verzoek baseert. Dit laatste komt hierop neer dat het verzoekschrift met redenen moet zijn omkleed. In hoger beroep betekent dit dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden de appellant meent dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Het beroepschrift van werkgever voldoet niet aan de door de artikelen 359 jo. 278 Rv voorgeschreven duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. Werkgever heeft in haar beroepschrift namelijk geen gronden geformuleerd tegen de beslissing van de kantonrechter, anders dan dat de kantonrechter de beschikking heeft gewezen op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW, een werkgeversverzoek, terwijl dit artikel 7:671c lid 2 onderdeel a BW had moeten zijn, een werknemersverzoek. Het ontbreken van gronden leidt tot (ambtshalve) niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. De stelling van werkgever dat zij op het moment van het indienen van het beroepschrift nog niet over een herstelbeschikking van de kantonrechter beschikte, leidt niet tot de conclusie dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Niet gebleken is immers dat het beschikken over de herstelbeschikking noodzakelijk was voor het aanvoeren van gronden, zulks mede gelet op de brief van 24 mei 2015 van de gemachtigde van werkgever waarin het herstelverzoek aan de kantonrechter is vervat, waarin slechts is verzocht om correctie van het genoemde artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW in artikel 7:671c lid 2 onderdeel a BW. Nu werkgever geen uitzonderlijke omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan hij een appelschrift zonder gronden zou kunnen hebben ingediend, wordt hij in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede merkt het hof op dat het V5-formulier, dat op 26 juli 2016 door werkgever ter griffie is ingediend met een verzoek om ‘Uitstel gronden’, niet kan leiden tot een ander oordeel, aangezien ten tijde van het indienen van dat verzoek de termijn van veertien dagen (tot 12 juli 2016) die in het tussenarrest was genoemd, waarbinnen de dagvaarding diende te worden verbeterd en aangevuld, al ruimschoots was verstreken. Daarnaast is werkgever er in het tussenarrest op gewezen dat van de gestelde termijn geen uitstel wordt verleend. De slotsom is dan ook dat bij gebreke van gronden het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.