Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 4 juli 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:1814
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Y en X zijn echtgenoten geweest. X is (indirect) enig aandeelhouder en enig bestuurder van de bv. De onderneming is gevestigd op het woonadres waar Y en X, tot hun huwelijk in januari 2012 op de klippen liep, samenwoonden. In januari 2012 heeft Y de echtelijke woning verlaten. Y en X hadden op dat moment twee kinderen; Y was zwanger van het derde kind. Op 29 november 2012 heeft de Rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tot februari 2012 heeft de bv maandelijks een bedrag van € 843,76 aan Y overgemaakt. Door de bv overgelegde gestelde loonstrookjes vermelden met betrekking tot deze betalingen diverse salarisgegevens en als datum indiensttreding bij de bv 1 juni 2009, voor 80 uren per loonperiode. Y heeft in het geding in eerste instantie gevorderd de bv te veroordelen het achterstallig loon vanaf 1 maart 2012 en het vakantiegeld over de jaren 2012 en 2013, de daarover verschuldigde wettelijke verhoging en de wettelijke rente, te voldoen. In reconventie heeft de bv gevorderd te verklaren voor recht dat met ingang van januari 2012 de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat tussen Y en de bv geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan en heeft de vordering van Y afgewezen. Y beoogt met het hoger beroep het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof bestond er in januari 2012, toen Y de echtelijke woning heeft verlaten, een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De door de bv overgelegde salarisstrookjes vormen daarvoor een duidelijke aanwijzing. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen valt verder af te leiden uit de verklaringen van getuigen. Het feit dat Y is opgeleid tot bedrijfshulpverlener – ten behoeve van de bv – duidt er niet alleen op dat zij nauw betrokken was bij de onderneming van de bv maar ook dat zij – ten minste in enige mate – werkzaamheden verrichtte voor de bv. Bovendien leveren deze verklaringen, de loonstrookjes en het diploma, in onderling verband en samenhang bezien, aanvullende bewijzen op die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de (partij)getuigenverklaring van Y – dat zij werkzaamheden verrichtte in en ten behoeve van het bedrijf van haar man en dat zij vanaf 2009 daarvoor loon ontving – voldoende geloofwaardig maken. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep moet het hof zich alsnog buigen over de vordering in reconventie. Het hof overweegt dat niet snel mag worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden. De gevolgen daarvan zijn immers ingrijpend. Toch, in dit geval, komt het hof tot de conclusie dat van een dergelijke stilzwijgende beëindiging wel sprake is geweest, of – anders gezegd – dat de bv uit de opstelling van Y heeft mogen opmaken dat zij deze niet in stand wenste te houden nadat Y en X niet langer samenwoonden. Het hof overweegt onder meer dat het niet goed voorstelbaar is dat Y nog had kunnen werken voor de bv terwijl de relatie met X stuk was gelopen en er aanleiding bestond vanaf februari 2012 niet langer onder één dak te wonen. Er was onmiskenbaar sprake van een ernstig verstoorde relatie tussen Y en X. Uit het feit dat Y niet (nooit) heeft aangeboden op eerste verzoek van de bv de overeengekomen werkzaamheden te zullen verrichten, moet worden afgeleid dat Y daar ook niets voor voelde. Het is in deze bijzondere situatie dat aan het vertrouwen van de bv op de stilzwijgende wilsverklaring van Y dat met het stuklopen van de relatie met X ook de arbeidsverhouding met de bv een einde nam, bescherming toekomt. Het hof wijst alsnog de vordering van de bv in die zin toe dat het hof voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2012 is geëindigd. Y kan dus geen aanspraak maken op loonbetalingen na 1 februari 2012. De vordering tot betaling van vakantiegeld is toewijsbaar over de maand januari 2012.