Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11 juli 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3141
werknemer/X Schilderwerken BV
Feiten
Werknemer (geboren 1959) is in 2008 in dienst getreden van X als schilder. Met toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2013 opgezegd. Werknemer vordert een schadevergoeding van € 46.294 wegens kennelijk onredelijke opzegging.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Bedrijfseconomische noodzaak tot ontslag ondanks kort na ontslag aanbieden van tijdelijk werk via uitzendbureau
Werknemer heeft de bovengenoemde bedrijfseconomische redenen in feite alleen bestreden door te wijzen op het feit dat X werknemer binnen vier weken na de ingang van het ontslag heeft benaderd om als uitzendkracht werkzaamheden voor X te verrichten. Uit dat enkele feit valt echter niet af te leiden dat bij X op het moment van de aanvraag van de ontslagvergunning, op het moment van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en op het moment van de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen bedrijfseconomische redenen aanwezig waren voor het ontslag van de in totaal zes van haar zeventien schilders. Het hof tekent hierbij nog aan dat X gemotiveerd heeft uiteengezet dat het werk waarvoor zij eind maart 2013 een uitzendkracht zocht, in de periode daarvoor nog niet voorzien was, dat zij in verband met dat werk slechts één uitzendkracht zocht en dat dit werk bovendien van tijdelijke aard was.
Geen schending wederindiensttredingsvoorwaarde door tijdelijk werk uitzendkrachten
De wederindiensttredingsvoorwaarde hield in dat X niet binnen 26 weken na bekendmaking van de beschikking (de verlening van de toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen) een werknemer in dienst mocht nemen voor werkzaamheden van dezelfde aard, zonder eerst werknemer in de gelegenheid te stellen die werkzaamheden op de bij X gebruikelijke voorwaarden te hervatten. Deze voorwaarde heeft X niet geschonden. Er is immers niet gesteld of gebleken dat X binnen 26 weken na de beschikking van het UWV een werknemer in dienst heeft genomen. Het personeelsbestand van X is in die periode juist verder verkleind. Voor zover, overeenkomstig de bij de voorwaarde geplaatste voetnoot, moet worden aangenomen dat onder in dienst nemen ook valt het inlenen van uitzendkrachten, kan evenmin worden gezegd dat X de wederindiensttredingsvoorwaarde heeft geschonden. X heeft immers, overeenkomstig de voorwaarde, werknemer als eerste in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden als uitzendkracht uit te voeren.
Geen sprake van gevolgencriterium
Vanzelfsprekend heeft de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst ook voor werknemer gevolgen. Het verlies van de werkkring bracht voor werknemer, die op het moment van ingang van het ontslag 54 jaar oud was, de noodzaak mee om elders werk te vinden. Voor zover dat niet zou lukken, dreigde voor hem een terugval in inkomen in verband met het feit dat een werkloosheidsuitkering, zowel in Nederland als in Duitsland, lager is dan het laatst genoten loon. Daarnaast zou de pensioenopbouw van werknemer kunnen worden onderbroken, als hij geen ander werk zou vinden waarin de pensioenopbouw zou worden voortgezet. Dit alles zijn ingrijpende maar in zekere zin normale gevolgen van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van het hof heeft X voldoende onderbouwd dat werknemer ten tijde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst behoorlijke kansen had om binnen een redelijke termijn weer een nieuwe vaste werkgever te vinden. De feiten en omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, bevestigen de juistheid van de inschatting dat er behoorlijke kansen waren op werkhervatting. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst op zichzelf vanwege het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is geweest.