Naar boven ↑

Rechtspraak

Adviesgroep X & Brabant B.V./werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 25 juli 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3342

Adviesgroep X & Brabant B.V./werknemer

Handelt werknemer in strijd met het concurrentie-, relatie- en vestigingsbeding?

Feiten

Attent v.o.f., met als vennoot werknemer, heeft bij overeenkomst van 17 april 2012 aan Adviesgroep X & Brabant B.V. (hierna: Adviesgroep Brabant) per 1 mei 2012 haar assurantieportefeuilles ‘schade’ en ‘leven’ verkocht. Tussen Adviesgroep Brabant en werknemer is ook een arbeidsovereenkomst gesloten, op basis waarvan werknemer per 1 mei 2012 bij Adviesgroep Brabant in dienst is getreden. Zowel in de koopovereenkomst als in de arbeidsovereenkomst zijn bedingen opgenomen ter zake geheimhouding, non-concurrentie en relaties. Op 31 oktober 2014 hebben Adviesgroep Brabant en werknemer een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met ingang van 1 december 2014. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister heeft werknemer met ingang van 8 december 2014 een eenmanszaak met de handelsnaam Attent-Limburg ingeschreven. In kort geding heeft Adviesgroep Brabant gevorderd dat werknemer zich onthoudt van iedere zakelijke betrokkenheid op welke wijze dan ook bij activiteiten die gelijk zijn aan de activiteiten van Adviesgroep Brabant, binnen een straal van 50 km van de vestigingsplaatsen, zich houdt aan het in de koopovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en relatiebeding. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Adviesgroep Brabant afgewezen. Adviesgroep Brabant heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt in kort geding als volgt. De looptijd van het concurrentie-, het relatie- en het combinatiebeding in de arbeidsovereenkomst is verstreken. Een toewijzing kan derhalve niet (meer) op die bedingen worden gebaseerd. De vraag of werknemer (nog) gebonden is aan het vestigings- en het relatiebeding in de koopovereenkomst hangt af van de uitleg van de verschillende door partijen gesloten overeenkomsten. Met name gaat het om de uitleg van het finale kwijtingsbeding van de vaststellingsovereenkomst. Daarover hebben partijen in dit kort geding tegengestelde standpunten ingenomen. Aldus valt naar het oordeel van het hof zonder bewijslevering niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen of werknemer thans nog gebonden is aan het vestigings- en het relatiebeding in de koopovereenkomst. Dit leidt tot de slotsom dat het vestigings- en het relatiebeding in de koopovereenkomst toewijzing van de vorderingen niet kunnen dragen. Adviesgroep Brabant heeft de vorderingen ook gebaseerd op onrechtmatig handelen van werknemer, althans op handelen in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat werknemer op dit moment de contractuele bedingen overtreedt die zijn gericht op het beperken van concurrentie die werknemer Adviesgroep Brabant zou kunnen aandoen. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst eind 2014 gingen partijen ervan uit dat werknemer Adviesgroep Brabant weer concurrentie zou gaan aandoen. Dit is aannemelijk omdat de vaststellingsovereenkomst een regeling bevat voor het geval dat een bestaande relatie van Adviesgroep Brabant zich tot werknemer zou wenden en na 1 december 2014 tussen partijen enkele keren overleg heeft plaatsgevonden over het tegen een geldelijke vergoeding door werknemer overnemen van klanten van Adviesgroep Brabant. Adviesgroep Brabant wist, in elk geval kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, dat werknemer de handelsnaam Attent weer gebruikte. Niet gesteld of gebleken is dat Adviesgroep Brabant daar toen bezwaar tegen heeft gemaakt. De vorderingen kunnen derhalve ook niet op grond van onrechtmatige daad of handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid worden toegewezen.