Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/JVH Hospitality B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 18 juli 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:6176

werknemer/JVH Hospitality B.V.

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig nu diefstal niet is komen vast te staan, geen kennelijk onredelijk ontslag omdat onregelmatige geldhandelingen van werknemer bij werkgever de gerechtvaardigde verdenking hebben kunnen doen ontstaan dat werknemer zich wel aan diefstal/verduistering had schuldig gemaakt.

Feiten 

Werkneemster is vanaf 1991 als casinomedewerkster in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) JVH vestiging Groningen. Bij werkneemster zijn diverse malen kasverschillen aangetroffen. Op dit aspect scoort zij ook steeds onvoldoende. Op 14 januari 2014 wordt werkneemster op staande voet ontslagen omdat zij geld zou hebben ontvreemd. Werkneemster heeft in eerste aanleg (in conventie) aangegeven te berusten in het ontslag als zodanig en, samengevat, gevorderd te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven, met veroordeling van JVH om aan haar een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag te betalen van € 8152,66, en daarnaast als schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag € 10.335,60 en als immateriële schadevergoeding € 20.000. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Ontslagbrief fixeert ontslaggrond

Het hof overweegt dat de ontslagbrief niet anders kan worden gelezen dan dat het ontslag is gegeven omdat werkneemster zich schuldig zou hebben gemaakt aan het onrechtmatig ontvreemden van geld en (daarmee samenhangend) aan diverse onregelmatigheden wat geldhandelingen betreft. Het hof stelt vast dat JVH tegenover de ontkenning door werkneemster, haar verwijt dat werkneemster geld heeft gestolen/verduisterd niet heeft uitgewerkt en onderbouwd. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit verwijt niet terecht is. Aldus is die (dringende) reden voor het ontslag op staande voet niet komen vast te staan en kon het ontslag daarop niet worden gebaseerd. Het hof volgt niet het oordeel van de kantonrechter dat het voor werkneemster voldoende kenbaar was dat de geconstateerde onregelmatige geldhandelingen centraal stonden voor wat betreft de aangevoerde ontslagreden en dat uit de ontslagbrief ook blijkt dat juist die onregelmatige geldhandelingen de reden voor het ontslag op staande voet vormden. Dat oordeel verdraagt zich niet met de tekst van de ontslagbrief, die, als gezegd, ondubbelzinnig het verwijt voorop stelt dat werkneemster geld zou hebben ontvreemd. Daarmee is het ontslag onregelmatig verleend en maakt werkneemster aanspraak op gefixeerde schadevergoeding.

Niet kennelijk onredelijk, nu werkneemster wel verdenking op zich heeft geladen

De vervolgvraag is of de onregelmatige geldhandelingen, alle omstandigheden in aanmerking nemend, een toereikende grond boden voor het ontslag. Een ontkennende beantwoording van die vraag kan tot het oordeel leiden dat het ontslag niet alleen onregelmatig, maar ook kennelijk onredelijk was. Uit diverse camerabeelden blijkt dat werkneemster meermalen in strijd met de interne regels heeft gehandeld. Hier komt nog bij dat (a) de omstandigheid dat daarna telkens (kas)tekorten zijn geconstateerd, (b) al vanaf 2007 kastekorten een voortdurend aandachtspunt zijn geweest bij het functioneren van werkneemster en (c) werkneemster voor een aantal van haar handelingen geen eenduidige verklaring heeft kunnen geven – zo heeft zij voor het halen van geld uit de geldhopper als verklaring gegeven dat dit zowel kan zijn geweest om de inhoud van de hopper te tellen als om treetjes met ‘handgeld’ bij te vullen en heeft zij over het apart leggen van geld op de balie verklaard dat dit kan zijn geweest om alvast geld klaar te leggen voor een klant (zonder dat verder is gebleken dat het geld ook daadwerkelijk aan een klant is overhandigd) – rechtvaardigen naar het oordeel van het hof, zowel objectief als subjectief, de bij JVH ontstane verdenking dat werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal/verduistering. Die gerechtvaardigde verdenking maakt begrijpelijk dat JVH ieder vertrouwen in het functioneren van werkneemster heeft verloren. Dat verlies aan vertrouwen dient voor rekening en risico van werkneemster gelaten te worden. Waar zij herhaaldelijk is gewaarschuwd voor en aangesproken op kastekorten had van haar verlangd mogen worden dat zij haar gedrag bij geldhandelingen zodanig zou hebben aangepast dat dit onberispelijk en transparant zou zijn. Uit hetgeen is voorgevallen op voormelde data blijkt echter dat dit allerminst het geval is geweest. Het ontslag gegeven op de grond dat sprake is geweest van onregelmatige geldhandelingen is naar het oordeel van het hof derhalve niet kennelijk onredelijk.