Naar boven ↑

Rechtspraak

bewindvoerder/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 31 mei 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:4929

bewindvoerder/werkgever

Werkgever is wettelijke verhoging verschuldigd over te laat betaald loon. Het verweer dat werkgever niet wist aan wie hij moest betalen in verband met een onderbewindstelling wordt verworpen.

Feiten

Bij beschikking van de rechtbank van 30 oktober 2013 is bewindvoerder benoemd tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan werknemer. Bewindvoerder q.q. vordert betaling van een bedrag aan (gecumuleerde) wettelijke verhogingen en vakantiegeld over 2014-2015 en 2015-2016, alsmede de wettelijke verhogingen daarover. Werkgever voert verweer en stelt zich op het standpunt dat het door de financiële situatie van werknemer steeds onduidelijk was aan wie wat betaald diende te worden. Er is nimmer sprake geweest van betalingsonwil.

Oordeel

De wettelijke verhoging wegens te late betaling van het loon is verschuldigd zodra sprake is van overschrijding van de in artikel 7:625 BW genoemde betalingstermijn. Een aanzegging of ingebrekestelling is voor de verschuldigdheid niet vereist (Rb. Zutphen 1 februari 2006, JAR 2006/61). De kantonrechter concludeert dat door bewindvoerder q.q. terecht wettelijke verhoging gevorderd wordt. Voor dat geval doet werkgever een beroep op een hem toekomend opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:37 BW. Dit beroep kan niet slagen. Hoewel een situatie waarin derdenbeslag is gelegd inderdaad zou kunnen leiden tot onduidelijkheid jegens wie afdoende bevrijdend betaald kan worden, is door werkgever geenszins onderbouwd dat hij stappen heeft ondernomen om hierin duidelijkheid te verkrijgen. Met name gelet op de periode waarover zich de vertraging in betaling uitstrekt had het op de weg van werkgever gelegen om zijn beroep te onderbouwen met stukken waaruit telkens moment en aard van de beslaglegging volgt en de stappen die hij – in correspondentie – heeft ondernomen om bij de beslaglegger, bewindvoerder en/of rechthebbende duidelijkheid te verkrijgen. Dit klemt te meer nu uit het in beginsel niet betwiste overzicht van betalingen volgt dat er telkens –maar te laat – wel is betaald aan bewindvoerder q.q. en/of de rechthebbende. Kennelijk was op dat moment de onduidelijkheid verdwenen, maar deed die zich later opnieuw voor? De kantonrechter wijst erop dat hetgeen zijdens werkgever is aangevoerd met betrekking tot de opschorting als bedoeld in artikel 6:37 BW – mocht dit al onderbouwd zijn door werkgever – vooral van invloed is op de duur van de periode waarover de wettelijke verhoging moet worden berekend en daarmee de hoogte van die verhoging. Dit brengt de kantonrechter tot de matiging. De kantonrechter concludeert dat een verhoging van € 7500 in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk is, waaronder de kantonrechter ook de betrokken rente heeft gevat.