Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 19 september 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:4032
werknemer/Holding B.V.
Feiten
Werknemer is bij Holding B.V. in dienst getreden op 1 februari 2001 als projectleider woninginrichting. Met gebruikmaking van toestemming van het UWV, heeft Holding B.V. de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 1 augustus 2014 wegens bedrijfseconomische redenen. Holding B.V. heeft werknemer geen vergoeding toegekend. Werknemer vordert een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Oordeel
Valse of voorgewende reden
Werknemer stelt in de (toelichting op de) grieven 1, 2 en 3 dat hij, anders dan Holding B.V. in het ontslagverzoek heeft aangevoerd, niet uitsluitend, althans voor een groot deel, voor Woning- en Projectinrichting werkzaam was. Het hof komt tot de conclusie dat het overgrote deel van de werkzaamheden van werknemer de bedrijfsvoering van Woning- en Projectinrichting betrof en dat zijn inzet ten behoeve van andere vennootschappen behorend tot de Holding B.V. groep niet meer was dan in het algemeen van een dergelijke functie mag worden verwacht.
Gevolgencriterium
De kantonrechter is naar het oordeel van het hof op grond van een juiste afweging tot de conclusie gekomen dat het bestaan van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Het hof zal voor de motivering van dit oordeel hierna ingaan op de afzonderlijke grieven van werknemer. In grief 7 en de toelichting daarop heeft werknemer betoogd dat hij voor zijn indiensttreding is benaderd door Holding B.V. Die omstandigheid zou bij de beoordeling van de redelijkheid van de opzegging gewicht in de schaal kunnen leggen als het ontslag korte tijd na de indiensttreding heeft plaatsgevonden, en wel met name als het ontslag voorzienbaar was ten tijde van het benaderen door de werkgever van de werknemer. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. In grief 8 betoogt werknemer dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat is gebleken dat Holding B.V. binnen Holding B.V. alsook bij collega-woninginrichters heeft gekeken naar herplaatsingsmogelijkheid voor werknemer. Aannemelijk is dat Holding B.V. in de veronderstelling verkeerde dat werknemer aan de slag zou kunnen bij de onderneming van zijn broer, hetgeen niet het geval was. Ook indien zou komen vast te staan dat Holding B.V. om die reden minder, of geen, pogingen heeft gedaan om een herplaatsingsmogelijkheid voor werknemer bij collega-woninginrichters te vinden, is dat een omstandigheid die naar het oordeel van het hof bij de beoordeling van de onredelijkheid van de opzegging weinig gewicht in de schaal legt, gezien het feit dat de hele woningbranche in zwaar weer verkeerde. Grief 9 gaat over de positie van werknemer op de arbeidsmarkt. Naar het oordeel van het hof leidt ook hetgeen werknemer in hoger beroep in de toelichting op deze grief heeft betoogd niet tot de conclusie dat deze slecht was. Grief 10 richt zich op de gevolgen voor werknemer. Het ontslag heeft werknemer zwaar getroffen. Het vond ook nog eens plaats in een periode waarin zijn echtgenote ernstig ziek was en werknemer zich genoodzaakt heeft gevoeld te verhuizen naar een levensloopbestendige woning, die voor hem duurder is uitgevallen omdat hij als gevolg van het ontslag niet meer in aanmerking kwam voor de NHG. Daar staat tegenover dat het ontslag nodig was vanwege de financiële situatie van Woning- en Projectinrichting. Verder is van belang dat werknemer inmiddels AOW en pensioen ontvangt, en de nadelige gevolgen van het ontslag voor hem dus minder zwaar wegen dan voor een jongere werknemer. De grieven tegen de overwegingen van de kantonrechter over het gevolgencriterium falen ook.