Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Heineken Nederland Beheers BV
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 19 september 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:2565

werknemer/Heineken Nederland Beheers BV

Aansprakelijkheid werkgever voor beroepsziekte. Aspecifieke lage rugklachten. Causaal verband met til- en bukwerkzaamheden? Vragen aan deskundigen (orthopeed en neuroloog).

Feiten

Werknemer is van 1 oktober 1975 tot 15 oktober 2004 in dienst geweest van (de rechtsvoorganger van) Heineken Nederland Beheers BV (hierna: Heineken). Lange tijd heeft werknemer als bijrijder gewerkt. In die functie moest hij dagelijks bierfusten (100 kg) handmatig in- en uitladen (door te tillen in combinatie met rollen) uit de vrachtauto. Op 19 maart 2002 is werknemer uitgevallen wegens rugklachten. Per 18 maart 2003 werd hem een WAO-uitkering in de klasse 35-45% toegekend en per maart 2006 in de klasse 80-100%. In 2006 heeft werknemer Heineken aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn rug. Werknemer heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Heineken gedurende de periode waarin hij voor Heineken heeft gewerkt, haar zorgplicht heeft geschonden door werknemer – kort gezegd – te zwaar lichamelijk buk-, til- en draagwerk te laten doen en hem te veel te laten autorijden, hem niet te instrueren over hoe te tillen en te dragen en geen althans onvoldoende veiligheidsmaatregelen te nemen. De kantonrechter heeft de daarop betrekking hebbende vorderingen van werknemer afgewezen omdat naar het oordeel van de kantonrechter het causaal verband tussen de rugklachten en de werkzaamheden niet is komen vast te staan. Daartegen is werknemer in hoger beroep gekomen. Twee verschillende deskundigen hebben onderzocht of sprake is van een causaal verband en zijn tot tegenstrijdige conclusies komen. Het hof heeft om die reden bij tussenarrest van 21 maart 2017 overwogen dat het voornemens is deskundigen te benoemen en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de voorgestelde deskundigen, het voorschot en de voorgestelde vraagstelling

Oordeel

Geen van beide partijen heeft bezwaren naar voren gebracht tegen de voorgestelde personen als zodanig. Het hof zal deze deskundigen dan ook benoemen. Wat betreft de te stellen vragen hebben beide partijen enige aanpassingen voorgesteld. De op- en aanmerkingen van partijen zijn meegewogen bij de hierna volgende, definitieve vraagstelling:

1. Indien de beantwoording van één of meer van de volgende vragen buiten uw expertise valt, wilt u dat dan aangeven?

2. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van de klachten, het aanvangsmoment en het verloop daarvan, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Wilt u bij uw antwoord aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door u verkregen medische gegevens?

3. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

4. Constateert u een gezondheidsaandoening op uw vakgebied, zo ja, welke en kunt u een specifieke diagnose geven? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overwegingen geven?

5. Welke huidige mate van functieverlies kunt u vaststellen op uw vakgebied?

6. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel van (de gevolgen van) zijn klachten of aandoening(en) bij het verrichten van activiteiten van het dagelijks leven, zoals zelfverzorging, vrijetijdsbesteding, sportbeoefening en bij beroepsuitoefening c.q. huishoudelijke arbeid?

7. Zijn er nog andere – niet door betrokkene aangegeven – beperkingen waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden?

8. Indien er een discrepantie bestaat tussen de door betrokkene gestelde klachten en de door u geconstateerde aandoening(en), waardoor kan deze discrepantie dan worden verklaard?

9. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde aandoening(en)?

10. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

11. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

12. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies en de beperkingen?

13. Kunt u uit de u ter beschikking staande gegevens afleiden of sprake is (geweest) van afwijkingen, klachten, aandoeningen, aanleg- en/of andere factoren die reeds bestonden vóór de aanvang van de dienstbetrekking bij de werkgever op 1 oktober 1975?

14. Kunt u onder verwijzing naar toonaangevende nationale en internationale literatuur op uw vakgebied aangeven wat er bekend is over de prognose van die afwijkingen, aandoening(en), klachten, aanleg- en/of andere factoren?

15. Hoe waarschijnlijk acht u het dat betrokkene de door u aangetroffen klachten/aandoeningen/beperkingen heeft gekregen als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden zoals omschreven? Kunt u uw antwoord zo mogelijk mede uitdrukken in een waarschijnlijkheidspercentage?

17. Heeft u nog therapeutische suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen, die voor de beantwoording van deze vragen van belang kunnen zijn, bijvoorbeeld de wenselijkheid van expertise op een ander vakgebied?

Het hof beveelt een onderzoek door twee deskundigen teneinde aan het hof rapport uit te brengen omtrent de vermelde vragen.