Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24 oktober 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:8137
werknemer/Energo Projects B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 mei 2014 voor onbepaalde tijd bij Energo Projects in dienst getreden in de functie van algemeen directeur. Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) van 30 april 2014 is werknemer benoemd tot statutair directeur. De dochtervennootschap van Energo heeft op 23 mei 2017 een aandeelhoudersbesluit genomen, waarbij werknemer met ingang van die datum is ontslagen als statutair bestuurder van Energo Projects ‘onder dankzegging en decharge voor al zijn werkzaamheden’. Energo Projects heeft vervolgens begin juni 2017 een vaststellingsovereenkomst opgesteld, doch met de inhoud daarvan is werknemer niet akkoord gegaan, onder meer omdat daarin volgens hem essentiële financiële onderdelen ontbraken, zoals de afwikkeling van de winstdeling/bonus en vergoeding van niet-opgenomen vakantiedagen. Energo Projects heeft de eindafrekening ter zake van het salaris over de maand juni 2017 de vakantiebijslag en de transitievergoeding onbetaald gelaten. Zij heeft die posten verrekend met de schuld die werknemer aan haar heeft uit hoofde van de geldlening ten bedrage van € 32.500. Tevens heeft Energo Projects geweigerd de door werknemer gevorderde bedragen ter zake van bonus/winstdeling aan hem te betalen. Werknemer verzoekt kort samengevat onder meer een billijke vergoeding van € 110.000 en achterstallig salaris plus emolumenten. Energo Project verweert zich.
Oordeel
Beëindiging arbeidsovereenkomst
Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW kan de rechter aan een bestuurder van een rechtspersoon, van wie herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is, op diens verzoek een billijke vergoeding toekennen. Energo Projects heeft allereerst aangevoerd dat werknemer op het bepaalde in genoemd artikel geen beroep toekomt, aangezien hij heeft ingestemd met de beëindiging, nu hij zowel mondeling als ook schriftelijk te kennen heeft gegeven zich niet tegen het ontslag te zullen verzetten. De rechtbank deelt die visie van Energo Projects niet. Werknemer heeft, kennelijk in de verwachting dat de grootaandeelhouder van Energo een andere passende functie voor hem zou regelen binnen de Energo Group, enkel afstand gedaan van zijn hoor- en adviesrecht als bedoeld in de artikelen 2:8 en 2:238 jo. 2:227 lid 2 BW. Tevens heeft werknemer nadat het ontslag al geëffectueerd was in de brief die hij zelf op 29 mei 2017 heeft geschreven te kennen gegeven dat hij zich niet zou verzetten tegen het ontslag als Energo Projects zou voldoen aan de door hem in die brief genoemde twee voorwaarden. Vast staat dat partijen over die voorwaarden geen overeenstemming hebben bereikt. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat werknemer ondubbelzinnig heeft ingestemd met het ontslag, nog daargelaten dat op grond van artikel 7:671 BW instemming met ontslag schriftelijk dient te geschieden, welke bepaling ook geldt ten aanzien van een bestuurder van een rechtspersoon. Het mag dan zo zijn, zoals Energo Projects betoogd heeft, dat na het vennootschapsrechtelijk ontslag de arbeidsovereenkomst als het ware een lege huls geworden is en uit ‘de 15 aprilarresten’ van de Hoge Raad het arbeidsrechtelijk ontslag min of meer rechtstreeks voortvloeit uit het vennootschapsrechtelijk ontslag, een en ander betekent niet dat daarmee en daardoor de eis van een redelijke ontslaggrond niet langer geldt voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een bestuurder. In zowel het ontslagbesluit als ook de ontslagbrief is als reden voor het ontslag een verschil van inzicht vermeld over de wijze waarop werknemer inhoud geeft en dient te geven aan zijn functie van statutair bestuurder. Kennelijk beroept Energo Projects zich daarbij op de restgrond van artikel 7:669 lid 3 BW, te weten de h-grond. Ten aanzien van de restgrond van artikel 7:669 lid 3 BW geldt ook voor het ontslag van een statutair bestuurder dat van de vennootschap minst genomen verwacht mag worden dat zij schriftelijke signalen aan de bestuurder afgeeft dat er een verschil van inzicht dreigt te ontstaan ten aanzien van de koers van de vennootschap. De vennootschap kan de bestuurder daarmee niet overvallen bij het ontslag, zoals in dit geval gebeurd is. Een en ander betekent dat van een voldragen h-grond derhalve geen sprake is. Op grond van vorenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat een redelijke grond voor het ontslag ontbreekt, zodat op de voet van het bepaalde in artikel 7:682 lid 3 onderdeel a BW aanleiding bestaat voor toekenning van een billijke vergoeding aan werknemer.
Billijke vergoeding
Gelet op het voorgaande dient in de hoogte van de billijke vergoeding dan ook de waarde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie zonder vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich nu bevindt. Gelijk hiervoor ook al overwogen, heeft werknemer aan de hand van de rekentool ‘hoelangwerkloos.nl’ berekend dat de verwachte werkloosheidsduur ruim vier jaar zal zijn. Inmiddels is echter sprake van een totaal andere economische conjunctuur, zodat op basis van de uitkomsten van die rekentool geen betrouwbare inschatting gemaakt kan worden van de vermoedelijke werkloosheidsduur van werknemer. De rechtbank acht alles afwegend in de gegeven omstandigheden een vergoeding van € 57.000 bruto, globaal overeenkomend met zes maandsalarissen inclusief vakantietoeslag, naast de transitievergoeding, die hierna berekend zal worden, billijk.
Bonus en winstdeling en overige financiële vergoedingen
De rechtbank zal werknemer tot het aangeboden bewijs toelaten en hem opdragen bewijs te leveren van zijn stelling dat met Energo Projects in afwijking van het bepaalde in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst mondeling andersluidende afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de uitbetaling van de bonus/winstdeling en dat Energo Projects zich daarbij onvoorwaardelijk heeft verplicht tot betaling van de door hem gevorderde bedragen van € 800 over 2014 en € 17.225 bruto over het jaar 2015. De door werknemer gevorderde wettelijke verhoging over het salaris over de maand juni 2017 en de vakantiebijslag over die maand is naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Energo Projects heeft zich immers ten aanzien van de betaling van dat salaris en vakantiebijslag op goede gronden beroepen op haar recht op verrekening met de schuld van werknemer uit hoofde van de geldlening van € 32.500. Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van de procedure aangehouden, in afwachting van de uitkomsten van de eventuele bewijslevering.