Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 13 maart 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:1608
Feiten
Werknemer kwam voor 1 januari 2001 bij Also Nederland B.V. (hierna: Also) in dienst. Tussen hen bestond tot 1 januari een pensioenovereenkomst. Deze pensioenovereenkomst betrof een eindloonregeling zonder eigen bijdrage. De uitvoering van de pensioenovereenkomst was ondergebracht bij Nationale Nederlanden (hierna: NN) en liep af op 31 december 2017. NN bood de pensioenregeling van Also niet langer in die vorm aan, voortaan kon worden gekozen voor een pensioenregeling op basis van middelloon. Teneinde de pensioenregeling te wijzigen heeft Also advies ingewonnen. Daarbij heeft zij een voorstel voor een nieuwe pensioenregeling ontvangen. Also heeft dit voorstel voorgelegd aan haar ondernemingsraad (hierna: OR). Bij e-mail van 25 oktober 2017 heeft de voorzitter van de OR akkoord gegeven. Bij brief van 17 januari 2018 heeft Also aan de medewerkers met een eindloonregeling, onder wie werknemer, gemeld dat met ingang van 1 januari 2018 de eindloonregeling wijzigt naar een middelloonregeling en dat een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag wordt ingevoerd. Voor zover een werknemer door de verandering met een achteruitgang te maken zou krijgen is een individuele compensatie opgenomen. Werknemer heeft zonder succes geprotesteerd tegen de wijziging van de pensioenregeling en vordert een verklaring voor recht dat Also geen redelijke grond heeft om de regeling eenzijdig te wijzigen.
Oordeel
Het partijdebat spitst zich toe op de twee door Also eenzijdig doorgevoerde wijzigingen. Ten aanzien van de wijziging van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling betwist werknemer dat Also een zwaarwichtig belang heeft in de zin van artikel 7:613 BW. De instemming van de OR levert naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing op dat van een zwaarwichtig belang sprake is. De instemming van de OR vormt bovendien een zwaarwegend gezichtspunt bij de beoordeling van de redelijkheid van de wijziging. Daarnaast staat vast dat Also bij drie grote Nederlandse pensioenverzekeraars navraag heeft gedaan over de mogelijkheid om in haar geval een eindloonregeling te verzekeren. Werknemer kon daarom niet volstaan met de blote stelling dat Also geen deugdelijk onderzoek heeft verricht. Dit betekent dat werknemer niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat een eindloonregeling voor Also niet langer verzekerbaar is. De objectieve omstandigheid op grond waarvan van Also in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de pensioenopbouw op basis van eindloon plaatsvindt, is daarmee gegeven. Bij dit oordeel is ook betrokken dat Also een uitvoeringsovereenkomst moest aangaan om aan de onderbrengingsplicht te voldoen. Gezien het hiervoor overwogene, in combinatie met de aan werknemer aangeboden compensatie, kan de door Also gegeven rechtvaardiging naar het oordeel van de kantonrechter als zodanig zwaarwegend worden gekwalificeerd dat het individuele belang van werknemer ten aanzien van de omzetting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hoewel het een verslechtering voor werknemer is, heeft Also voldoende aangetoond dat de aangeboden regeling een passend alternatief is voor de eindloonregeling en bovendien dat deze wijziging noodzakelijk is. De tweede wijziging die partijen verdeeld houdt, is de invoering van een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag. Dat de OR heeft ingestemd met de invoering van de werknemersbijdrage, levert een aanwijzing op dat sprake is van een zwaarwichtig belang en vormt een zwaarwegend gezichtspunt bij de beoordeling van de redelijkheid van de onderhavige wijziging. Daarmee staat echter nog niet vast dat het belang van Also bij de wijziging dient te prevaleren boven het belang van werknemer. De overwegingen van Also om een werknemersbijdrage voor werknemer in te voeren, overtuigen de kantonrechter echter niet. De stellingen van Also leveren geen (zwaarwichtige) reden op om inbreuk te maken op de arbeidsvoorwaarden van werknemer. Voorts valt niet in te zien dat de invoering van de werknemersbijdrage bijdraagt aan het beheersbaar en voorspelbaar houden van de pensioenkosten en een significante verdere stijging van de pensioenlasten voorkomt, zodat ook deze argumenten geen (zwaarwichtige) reden opleveren. Ook het beroep van Also op de beginselen van solidariteit en gelijke behandeling faalt. De invoering van de werknemersbijdrage voor werknemer is daarom niet gerechtvaardigd. De noodzaak van wijziging van de pensioenovereenkomst van werknemer op dit punt is niet, althans onvoldoende, gebleken.