Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 31 maart 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:571
Feiten
Werknemer is op basis van een leer-/arbeidsovereenkomst sinds 15 april 2017 in dienst van ILS. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de opleidingskosten voor rekening van werknemer komen in geval van beëindiging wegens een dringende reden. Op 2 mei 2017 is werknemer een ongeval overkomen en op 10 december 2018 is werknemer opnieuw een arbeidsongeval overkomen, waarna hij zich ziek heeft gemeld. Werknemer heeft in januari en februari viermaal een bedrijfsarts bezocht die heeft geconcludeerd dat werknemer arbeidsongeschikt was. Op 29 januari 2019 is werknemer uitgenodigd om een plan van aanpak op te stellen, maar werknemer heeft dit afgewezen wegens zijn beperkingen. Begin februari 2019 heeft ILS aan Dörr opdracht gegeven te onderzoeken of werknemer activiteiten ontplooide die strijdig waren met het door hem opgegeven ziektebeeld. Uit dit onderzoek is gebleken dat werknemer onder meer bij herhaling handelingen verrichtte die strijdig waren met het ziektebeeld. Werknemer is naar aanleiding van het onderzoek op 14 maart 2019 gehoord en heeft een verklaring ondertekend met zijn antwoorden op de gestelde vragen. Na afloop van het gesprek is werknemer geschorst, waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. Werknemer is op 15 maart 2019 op staande voet ontslagen. De bedrijfsarts heeft op basis van getoonde videobeelden verklaard dat het gedrag van werknemer daarop niet overeenkomt met hetgeen hij in de spreekkamer heeft gezien en gehoord. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd, maar de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. ILS komt op tegen de beschikking.
Oordeel
De reden die voor ILS tot het ontslag heeft geleid is dat werknemer ten onrechte zou hebben voorgewend arbeidsongeschikt te zijn, terwijl dat feitelijk niet zo was, althans niet in die mate en omdat hij moedwillig niet de waarheid had verteld over zijn daadwerkelijke lichamelijke beperkingen. Werknemer heeft de inhoud en de juistheid van de getoonde videobeelden niet betwist, maar slechts gesteld dat deze onrechtmatig zijn verkregen en moeten worden uitgesloten van bewijs. Het hof gaat daar niet in mee. Uit de bevindingen van Dörr blijkt onmiskenbaar dat werknemer tot veel meer in staat was dan hij aan ILS en de bedrijfsarts heeft verteld. Het hof oordeelt dat voldoende is vast komen te staan dat werknemer over een langere periode moedwillig niet de waarheid heeft gesproken en dus heeft gelogen tegen zijn werkgever en de bedrijfsarts. De slotsom is dat de gedragingen van werknemer het ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het gedrag is eveneens ernstig verwijtbaar en werknemer komt dus geen transitievergoeding toe.
Onrechtmatig verkregen bewijs
Het hof licht toe dat hoewel het bewijs onrechtmatig is verkregen, dit niet zonder meer tot gevolg heeft dat het bewijs wordt uitgesloten. Het hof deelt de opvatting van ILS dat het onderzoek noodzakelijk was om de waarheid aan het licht te brengen, mede gezien het feit dat werknemer meermalen heeft gelogen. Niet is gebleken dat een ander middel geschikt(er) was om de waarheid boven tafel te krijgen. Het hof is echter wel van oordeel dat ILS niet de eisen van proportionaliteit in acht heeft genomen en ook had kunnen volstaan met een observatie over een kortere periode. Het hof weegt dit mee bij de beoordeling van het verzoek dat ziet op toekenning van de gemaakte onderzoekskosten en oordeelt dat alles meegenomen ILS de onderzoekskosten zelf moet dragen.
Overige vergoedingen
De vordering tot terugbetaling van de studiekosten wordt afgewezen, omdat ILS geen inzicht heeft gegeven in de aard en de hoogte van de kosten die werknemer zou moeten terugbetalen. Wel wordt werknemer veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.