Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 28 april 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:879
Feiten
X heeft sinds 1979 als regelmatig vervanger gefungeerd van de organist van de Grote Kerk in Gorinchem. Na het overlijden van deze organist in 2004 is X tijdens de kerkdiensten het orgel in de Grote Kerk gaan bespelen. Er is geen schriftelijke overeenkomst met X gesloten. Bij brief van 28 oktober 2008 is X meegedeeld dat een nieuwe hoofdorganist zou worden aangenomen en dat X daarna als tweede organist zou worden aangesteld. Met de nieuwe hoofdorganist is wel een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. X speelde volgens een rooster dat hij samen met de hoofdorganist invulde. Hij ontving voor de begeleiding van sommige diensten een vergoeding conform functiecode III. In een brief van 16 april 2018 heeft het College van Kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente Gorinchem (hierna: PGG) aan X meegedeeld dat hij per direct is ontheven als organist en vervangend organist. In eerste aanleg heeft X de kantonrechter primair verzocht deze opzegging te vernietigen en hem weer toe te laten als organist en subsidiair om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft toen geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en alle verzoeken afgewezen. Onder aanvoering van twee grieven verzoekt X het hof in hoger beroep de arbeidsovereenkomst tussen partijen te herstellen.
Oordeel
Niet in geschil is dat X voor oktober 2008 lange tijd op vrijwillige basis als vaste vervanger van de eerste organist in de Grote Kerk fungeerde. Dat deed hij eerst af en toe, en na het overlijden in 2004 meer permanent totdat er een nieuwe hoofdorganist zou worden aangesteld. X is in de brief van 28 oktober toegezegd dat de aanstelling als tweede organist in een overeenkomst zal worden opgenomen, maar dat is nooit gebeurd. Daarom heeft X aan de bewoordingen van die brief in redelijkheid niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat met hem een arbeidsovereenkomst zou worden aangegaan. Ten aanzien van de feitelijke uitvoering van de overeenkomst overweegt het hof als volgt. X speelde (sinds 2009) afwisselend met de andere organist. De vergoeding conform functieniveau III geldt voor kerkmusici die, anders dan bij functieniveau I en II, niet op professionele wijze spelen. De vergoeding bleef in beginsel altijd beneden de jaarlijkse inkomensgrens van de fiscale vrijwilligersregeling van de Belastingdienst en PGG hield geen loonheffing in. Er kan dan ook niet worden geconcludeerd dat tussen X en de PGG was overeengekomen dat hij voor de diensten in de Grote Kerk recht op loon had. Gelet ook op de relatief geringe vergoeding tegenover het ruime tijdsbeslag dat de werkzaamheden vergden, wijst dit vergoedingsaspect op vrijwilligerswerk. Voorts is het hof van oordeel dat inherent aan de positie van organist bij een kerkgemeente is dat hij voor de begeleiding van de kerkdienst instructies krijgt welke liederen moeten worden gespeeld en dat hij dat moet doen met inachtneming van de gewoonten en tradities van die kerkgemeenschap en dat X na inroostering gehouden was daadwerkelijk en op tijd te komen spelen; deze omstandigheden acht het hof niet kenmerkend voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Dat X geacht werd na inroostering de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en niet door een willekeurige derde vervangen kon worden is juist, maar dat heeft te maken met de algemene kwaliteitseisen die worden gesteld aan een organist. Tot slot oordeelt het hof dat X er niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat hij net als de nieuwe hoofdorganist werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. De situatie van X was immers anders en hem is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, net als de kantonrechter, van oordeel is dat de rechtsverhouding tussen X en de PGG niet als een arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt.