Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16 september 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:7315
Feiten
Werkneemster is in 2012 in dienst getreden bij Radboud Universitair Medisch Centrum (hierna: Radboudumc), als Academisch Medisch Specialist. Zij is tot 8 januari 2018 ingeschreven geweest als arts in het BIG-register en daarna weer vanaf 3 april 2018. Voorts is zij tot 28 mei 2017 ingeschreven geweest in het RGS-register. Werkneemster heeft in februari 2019 contact gehad met haar bedrijfsleider omtrent het feit dat haar registraties niet rond waren. Daarnaast zijn in die periode diverse ‘jaargesprekken’ gevoerd, veelal over het functioneren van werkneemster. Daarbij is werkneemster gewezen op punten die zij dient te verbeteren, zowel op het gebied van directe als indirecte patiëntenzorg. Op 4 juli 2019 hebben het afdelingshoofd en de bedrijfsleider het mogelijk disfunctioneren van werkneemster als internist-oncoloog gemeld bij de Commissie Onderzoek. Omdat geconstateerd werd dat werkneemster van 28 mei 2017 tot 6 februari 2018 niet geregistreerd is geweest als internist, er twijfels zijn over de registratie in het BIG-register, en zij nooit als internist-oncoloog is geregistreerd, is zij (voorlopig) op non-actief gesteld. De Commissie Onderzoek heeft op 12 september 2019 rapport en advies uitgebracht, waaruit volgt dat zij hebben vastgesteld dat op onderdelen sprake van disfunctioneren en dat er onverantwoorde elementen, alsmede patiëntveiligheidsissues aan de orde zijn geweest. Bij brief van 20 september 2019 heeft het afdelingshoofd aan werkneemster laten weten dat zij op basis van het advies van de Commissie Onderzoek, de niet-naleving van de registratieverplichtingen en nieuwe zaken die tijdens de op non-actiefstelling naar voren zijn gekomen, waaruit duidelijk is geworden dat werkneemster haar werk niet naar behoren heeft gedaan, heeft besloten de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen. Zodoende is een ontbindingsverzoek ingediend. In eerste aanleg heeft de kantonrechter dit echter afgewezen. Hiertegen komt Radboudumc in hoger beroep op. In de tussentijd zijn opnieuw (andere) patiëntendossiers van werkneemster onderzocht.
Oordeel
e-grond
Vast staat dat werkneemster een verwijt kan worden gemaakt ter zake van de registratiekwestie in de betreffende registers. Zij erkent ook dat zij op dit punt niet goed heeft gehandeld. Zij had ervoor moeten zorgdragen dat de registraties in orde waren. Radboudumc stelt zich verder op het standpunt dat werkneemster ernstig is tekortgeschoten omdat sprake is van disfunctioneren op medisch inhoudelijk, communicatie-, organisatorisch en professioneel gebied en verwijst daarvoor naar de twee rapporten. Wat daar ook van zij, uit de rapporten kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster, zodat geen sprake is van een e-grond.
d-grond
Het hof is voorts van oordeel dat Radboudumc niet aan de eisen ten aanzien van het verbeteren van disfunctioneren heeft voldaan. Tussen de eerste uiting van serieuze zorgen over het functioneren van werkneemster in de patiëntenzorg (na zeven jaar dienstverband met goede beoordelingen) en de op non-actiefstelling zitten ongeveer twee maanden en de beslissing van Radboudumc om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen is vervolgens na ongeveer drie maanden genomen. Dat is een betrekkelijk korte periode. In die drie maanden is ten onrechte geen verbetertraject ingezet ten aanzien van zorgpunten betreffende de patiëntenzorg. Dat zou nog te begrijpen zijn geweest als van medische missers was gebleken die van zodanige ernst waren dat verbetering niet meer te verwachten was, maar daarvan is nu juist niet gebleken. Radboudumc had, als goed werkgever, een eigen inschatting dienen te maken en een verbetertraject moeten opzetten. De stelling dat werkneemster niet coachbaar is, is gebaseerd op een niet beproefd vermoeden en daarom onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Werkneemster zal dus nog in de gelegenheid moeten worden gesteld haar functioneren te verbeteren. Uit het voorgaande volgt dat evenmin sprake is van een d-grond.
g-grond
Het hof onderkent dat de verhoudingen tussen partijen (inmiddels ernstig) onder druk zijn komen te staan. De druk is echter grotendeels op het conto van Radboudumc te schrijven, die de ontstane problemen en kritiek te snel heeft laten escaleren in een op non-actiefstelling en ontbindingsverzoek, zonder een echt verbetertraject in te zetten. De huidige spanning in de onderlinge verhoudingen kan derhalve niet geheel op werkneemster worden afgewenteld. Op een aantal punten is het standpunt van Radboudumc, dat het vertrouwen in werkneemster deuken heeft opgelopen, niet onbegrijpelijk. Het staat vast dat werkneemster het met haar registraties niet goed heeft aangepakt. Vast staat echter dat de registraties van werkneemster alweer geruime tijd op orde zijn en het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat het handelen hieromtrent weliswaar verwijtbaar, maar geen zelfstandige grond voor een ontbindingsverzoek was. Ook de stevige kritiek van Radboudumc op de door werkneemster geleverde patiëntenzorg levert spanningen op. De twee rapporten waarmee Radboudumc haar kritiek onderbouwt, leveren echter eveneens onvoldoende fundament voor ontslag op. Aan Radboudumc kan worden verweten dat zij het confronteren van werkneemster met kritiek en het verzamelen van bewijs tegen werkneemster op zo’n manier heeft aangepakt dat sprake is van een schending van haar werkgeversverplichtingen. Daarbij rekent het hof het Radboudumc zwaar aan prematuur over het einde van het dienstverband te hebben gecommuniceerd. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat ook geen sprake is van een ‘zodanige verstoring’ van de arbeidsverhouding.