Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 30 maart 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1183
Geen opzegging arbeidsovereenkomst door werkneemster door bij een derde werkgever, in het kader van het tweede spoor en tijdens de eerste twee ziektejaren, een dienstbetrekking te aanvaarden. Werkneemster maakt terecht aanspraak op transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding.

Feiten

Met ingang van 1 november 2013 is werkneemster in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van productiemedewerker met een arbeidsduur van 40 uur. Op 10 januari 2020 is werkneemster arbeidsongeschikt uitgevallen. In de loop van 2021 is re-integratie in het tweede spoor opgestart. Met ingang van 1 november 2021 is werkneemster voor een periode van zes maanden en met een arbeidsduur van 40 uur in dienst getreden bij een andere werkgever. Bij e-mail van 6 december 2021 heeft werkneemster (via haar gemachtigde) aan werkgeefster laten weten dat zij sinds 1 november 2021 elders in dienst is. Werkneemster maakt dan ook vanaf 1 november 2021 geen aanspraak meer op loon, omdat zij niet beschikbaar is. Werkgeefster heeft vervolgens op 7 december aan werkneemster laten weten een en ander op te vatten als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van werkneemster en werkgeefster heeft 1 december 2021 aangemerkt als einddatum van het dienstverband. Werkneemster stelt zich vervolgens op het standpunt dat voornoemd bericht van werkgeefster juist als opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd en verzoekt in rechte om toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter stelt voorop dat werkneemster blijvend arbeidsongeschikt is beoordeeld voor haar eigen werk en dat binnen de onderneming van werkgeefster geen passende arbeid voor werkneemster voorhanden was. Werkgeefster was dan ook gehouden om passende arbeid voor werkneemster bij andere werkgevers te zoeken. Indien dan voor werkneemster in het kader van de re-integratie bij een andere werkgever passend werk is gevonden, blijft de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en werkgeefster onverkort in stand (vgl. art. 7:629 lid 12 BW). In het kader van het tweedespoortraject is werkneemster begeleid door een jobcoach met als insteek het monitoren van verplichte sollicitatieactiviteiten en het voorbereiden en oefenen van sollicitatiegesprekken. Die begeleiding in het tweede spoor heeft er onder meer toe geleid dat werkneemster een dienstbetrekking bij een andere werkgever heeft aangeboden gekregen. In het licht van artikel 7:629 lid 12 BW kan het enkel aanvaarden van een functie elders in het kader van tweede spoor, waarvan in het onderhavige geval sprake is, naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer als een beëindigingshandeling van de werknemer worden gezien, ook niet als het gaat om een ‘harde’ arbeidsovereenkomst (geen uitzending of detachering) bij die andere werkgever voor een periode van (in dit geval) zes maanden. Ware dit anders, dan zou hiervan voor de werknemer een negatieve prikkel kunnen uitgaan om niet serieus werk te maken van de re-integratie bij een andere werkgever. Werkneemster heeft zich ook direct uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat van een opzegging of beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen sprake was. Bovendien dient het in dat geval te gaan om een duidelijke en ondubbelzinnige op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wilsverklaring. De werkgever moet zich met zorgvuldigheid ervan vergewissen of de werknemer daadwerkelijk de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft beoogd. Dat heeft werkgeefster nagelaten en haar conclusie bij brief van 7 december 2021 was dan ook voorbarig en onjuist. Werkneemster heeft uiteindelijk ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2021, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de dienstbetrekking inderdaad per 1 december 2021 door opzegging van de werkgever als beëindigd dient te worden beschouwd. De transitievergoeding van € 5.965,07 bruto wordt toegewezen. Ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt toegewezen en bepaald op € 6117,82 bruto.