Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2009 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van werkgever en is sinds 1 september 2017 in dienst bij werkgever in de functie van ‘inspector’ tegen een salaris van € 4.108 bruto op basis van 40 uur per week, te vermeerderen met de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de leaseauto van € 563,35 bruto en 8% vakantiebijslag. Werkgever is een onderneming die diensten verleent op het gebied van inspectie, certificering, controle en onderzoek van (handels)grondstoffen, een en ander ter uitbreiding en bevordering van de handelsbetrekkingen met betrekking tot de Volksrepubliek China. Werkgever heeft op 16 februari 2021 bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend op bedrijfseconomische gronden. Op 27 mei 2021 weigert het UWV toestemming te verlenen. Vervolgens vinden tussen partijen gesprekken plaats, waarbij aan werknemer drie functies zijn aangeboden. Werknemer gaat in de functie van business development-specialist aan de slag. Discussie ontstaat over het bij deze functie behorende salaris. Werknemer heeft aangegeven niet in te stemmen met een lager salaris, maar wil behoud van het salaris behorende bij de functie van inspector. Werkgever geeft geen gehoor aan de sommatie van werknemer, waarna werkgever in de context van een mogelijk verstoorde arbeidsverhouding een afbouwregeling voorstelt, die door werknemer wordt geweigerd. Werknemer verzoekt voor recht te verklaren dat (a) zijn brutosalaris € 4.108 is te vermeerderen met de bijtelling wegens privégebruik leaseauto, (b) hij op basis van dit salaris recht heeft op herstel pensioenbijdrage, vakantietoeslag en overige salariscomponenten en (c) hij recht heeft op een overwerkvergoeding van € 47.617,40. Werknemer is van mening dat werkgever valse/onjuiste informatie heeft verstrekt aan het UWV over de oorspronkelijke functie van werknemer, die naar het oordeel van werknemer niet is komen te vervallen. Werkgever stelt dat uit het besluit van het UWV volgt dat de functie van inspector is komen te vervallen en dat werknemer de functie van business development-specialist heeft aanvaard, waarbij hij wist dat het salaris bij deze functie lager was dan dat van inspector.
Oordeel
Functie- en salariswijziging
De kantonrechter stelt als eerste de vraag aan de orde of er sprake is van een wijziging van de functie van inspector naar business development-specialist met het daarbij behorende salaris. De kantonrechter komt tot het oordeel dat werknemer diverse malen kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst (het zogenoemde instructierecht) bereid is andere werkzaamheden uit te voeren, maar dat hij niet instemt met een wijziging van zijn functie en met name met het daarbij horende lagere salaris. Er is geen sprake van een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW. De vervolgvraag is of de door werkgever aangeboden functie van business development-specialist (inclusief het lagere salaris) gekwalificeerd moet worden als een redelijk voorstel dat werknemer niet had mogen weigeren. Onder verwijzing naar het arrest Stoof/Mammoet oordeelt de kantonrechter dat er voor werkgever voldoende aanleiding bestond tot het doen van een voorstel tot functiewijziging, maar dat werkgever ten aanzien van het fors lagere salaris geen redelijk voorstel heeft gedaan. Werkgever is ten onrechte overgegaan tot een eenzijdige functie- en salariswijziging, waardoor werknemer nog altijd recht heeft op het salaris (incl. emolumenten) behorende bij de functie van inspector. De gevorderde verklaringen voor recht worden toegewezen.
Achterstallig salaris, overwerkvergoeding en bijtelling leaseauto, wettelijke verhoging
Werknemer heeft naar het oordeel van de kantonrechter recht op betaling van het achterstallig salaris over een periode van vier maanden, wat neerkomt op een bedrag van € 4.920 bruto. De vordering van werknemer met betrekking tot de overwerkvergoeding wordt op grond van een onvoldoende gemotiveerde onderbouwing afgewezen. De vordering van werknemer ter zake van de fiscale bijtelling van de auto wordt afgewezen omdat werknemer de leaseauto heeft ingeleverd en dus niet meer in gebruik heeft, waardoor er geen sprake is van een fiscaal nadeel. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%.