Naar boven ↑

Rechtspraak

Is arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan voor zes maanden (standpunt werkgever) of ruim een jaar (standpunt werknemer)? Door werknemer overgelegde arbeidsovereenkomst ten onrechte niet in beoordeling betrokken.

Feiten

Werknemer is op 18 december 2018 bij Logidist Transport B.V. (hierna: Logidist) in dienst getreden als chauffeur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Partijen verschillen van mening over de overeengekomen duur. Logidist stelt zich op het standpunt dat de overeengekomen duur zes maanden is en dat de overeenkomst is geëindigd op 18 juni 2019. Werknemer stelt dat is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2019. Werknemer verzoekt in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, Logidist op de voet van artikel 7:681 lid 1 BW te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.531,12. Werknemer heeft een kopie van een arbeidsovereenkomst overgelegd waarin staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 december 2018 tot 31 december 2019. Logidist heeft een kopie overgelegd van een gelijkluidende arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat daarin staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 december 2018 tot 18 juni 2019. De kantonrechter heeft het verzoek van werknemer afgewezen. Het hof heeft bij tussenbeschikking van 17 juli 2020 (zie AR 2022-1017) werknemer toegelaten te bewijzen dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019. Werknemer heeft getuigen laten horen. Aan het slot van het proces-verbaal van het getuigenverhoor staat dat de advocaten de originelen van de arbeidsovereenkomst(en) ter griffie zullen deponeren. Het hof heeft bij eindbeschikking (zie AR 2022-1018) de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd en daartoe onder meer overwogen dat werknemer het origineel van de arbeidsovereenkomst waarop hij zich beroept, niet in het geding heeft gebracht en niet geslaagd is in het aan hem opgedragen bewijs. Werknemer heeft tegen deze beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Werknemer stelt zich op het standpunt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat werknemer wel degelijk, op 2 februari 2021, het origineel van de arbeidsovereenkomst waarop hij zich beroept, ter griffie van het hof heeft gedeponeerd. De conclusie van de A-G (Van Peursem) strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De klacht is gegrond. Werknemer heeft bij de procesinleiding in cassatie een kopie gevoegd van een akte van depot van 2 februari 2021, inhoudende dat werknemer op die datum ter griffie van het hof (locatie Arnhem) een originele arbeidsovereenkomst heeft gedeponeerd. De inhoud van de depotakte is door Logidist in cassatie niet betwist. Daarmee staat vast dat werknemer een ‘originele arbeidsovereenkomst’ bij het hof heeft gedeponeerd. Omdat het hof dit door de werknemer in het geding gebrachte stuk niet in zijn beoordeling heeft betrokken kan de beschikking niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.