Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 augustus 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:5315
Feiten
Het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Levensmiddelenbedrijf (hierna: Bpf) is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet. Crisp B.V. is een onderneming die op 19 april 2018 is opgericht. Zij biedt via haar app een verscheidenheid aan levensmiddelen aan, die online kunnen worden besteld en thuis worden bezorgd. Zij heeft ongeveer 900 medewerkers in dienst. Het Bpf heeft Crisp bij brief van 30 oktober 2019 bericht dat zij met ingang van 19 april 2018 verplicht werd aangesloten bij het Bpf en dat zij haar personeel binnen twee weken moest aanmelden. Ook heeft het Bpf meegedeeld dat Crisp onder voorwaarden vrijstelling kon krijgen. Crisp heeft echter geen medewerkers aangemeld. Crisp heeft bij brief van 11 augustus 2021 om voorwaardelijke vrijstelling verzocht, aangezien zij heeft gekozen voor een eigen verzekerde pensioenregeling. Dit verzoek heeft het Bpf op 24 november 2021 afgewezen. Tegen dit afwijzingsbesluit heeft Crisp op 4 januari 2022 een bezwaarschrift ingediend. Daarop is, voor zover bekend, nog niet beslist. Het Bpf vordert onder meer een verklaring voor recht dat Crisp vanaf 19 april 2018 onder de werkingssfeer valt van de verplichtstelling tot deelneming in het Bpf, nu de deelneming in het fonds verplicht is gesteld voor werknemers in dienst van een werkgever die een winkel exploiteert waar het levensmiddelenbedrijf wordt uitgeoefend.
Oordeel
Het Bpf stelt dat de deelneming in het fonds verplicht is gesteld voor werknemers in dienst van een werkgever die een winkel exploiteert waar het levensmiddelenbedrijf wordt uitgeoefend. Crisp is volgens het Bpf een online supermarkt en daarmee een winkel in de zin van het Verplichtstellingsbesluit van 7 november 2017. Crisp voert daartegen aan dat het Bpf bij de vraag of Crisp onder de werkingssfeer van de verplichtstelling valt ten onrechte een zuiver kwalitatieve benadering hanteert. De meerderheid van de Crispwerknemers zijn tot ongeveer het jaar 2020 uitsluitend betrokken geweest bij softwareactiviteiten, terwijl de werknemers inmiddels betrokken lijken bij onder meer logistieke dienstverlening en vervoer over de weg. Verder voert Crisp aan dat het Bpf nooit antwoord heeft gegeven op haar vraag op grond van welk criterium het ‘de werknemers die zich met het levensmiddelenbedrijf bezighouden’ identificeert. Zonder antwoord op die vraag is Crisp niet in staat risicoloos haar juiste werknemers bij het Bpf aan te melden. De kantonrechter stelt dat de vraag of Crisp onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt, moet worden beantwoord aan de hand van de tekst van het besluit. In het Verplichtstellingsbesluit staat dat deelneming in het Bpf verplicht is gesteld voor – onder meer – werknemers die werkzaam zijn in een virtuele inrichting waar levensmiddelen worden verkocht. Anders dan Crisp betoogt, impliceert de tekst van het Verplichtstellingsbesluit niet dat een virtuele inrichting altijd gekoppeld dient te zijn aan een fysieke supermarkt. Een webwinkel in levensmiddelen zoals die van Crisp valt dus onder de werkingssfeer. Het Verplichtstellingsbesluit bepaalt dat de verplichtstelling niet geldt voor werknemers die verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds. Volgens Crisp is er mogelijk samenloop met de deelneming in het Bpf voor het Beroepsvervoer over de weg. Het is echter onaannemelijk dat er samenloop zou zijn, nu Crisp inmiddels vier jaar geleden is opgericht en er geen enkele aanwijzing is dat een ander pensioenfonds verplichte deelneming claimt. Crisp heeft bovendien een eigen pensioenregeling opgezet en haar werknemers niet bij een ander bedrijfspensioenfonds aangemeld. Crisp valt aldus onder de werkingssfeer van het Bpf. Crisp valt vanaf het moment waarop Crisp is gestart met de exploitatie van haar virtuele supermarktbedrijf onder de werkingssfeer, namelijk vanaf april 2018. Het verweer van Crisp dat zij de ambtshalve opgelegde nota’s niet verschuldigd is omdat het Bpf in crediteursverzuim verkeert en Crisp zich op opschorting beroept, wordt verworpen. Van crediteursverzuim is geen sprake. De verplichte deelneming van de werknemers van Crisp en de daaraan verbonden verplichtingen van Crisp volgen uit het Verplichtstellingsbesluit. Op het Bpf rust dan ook geen verplichting om aan Crisp uiteen te zetten op welke gronden het meent dat Crisp haar werknemers moet aanmelden. Ook moet Crisp de premienota’s betalen die door het Bpf worden vastgesteld aan de hand van de nog aan te leveren werknemersgegevens.