Naar boven ↑

Rechtspraak

Het enkele gegeven dat achteraf blijkt dat de werkgever vóór het ongeval een effectievere maatregel had kunnen treffen die het ongeval had kunnen voorkomen, betekent niet dat sprake is van schending zorgplicht artikel 7:658 BW.

Feiten

Werknemer is op 23 februari 2017 voor de duur van zes maanden in dienst getreden bij Biemans Recycling B.V. (hierna: Biemans). Twee weken na de indiensttreding bij Biemans is werknemer uitgeleend aan Attero B.V. (hierna: Attero). Op 24 maart 2017 is werknemer in het bedrijf van Attero ten val gekomen waardoor hij ernstig rugletsel heeft opgelopen.  Werknemer kwam vanaf een galerij boven in de bedrijfshal van Attero. Hij heeft vervolgens twee treden bestegen die respectievelijk een hoogte van 10 en 13 centimeter overbrugden om een openstaande deur van een nooduitgang te sluiten. Na het sluiten van de deur is werknemer de treden weer afgelopen en daarbij is hij ten val gekomen. Bij zijn val heeft werknemer met zijn hoofd een koker geraakt. Hij heeft hierdoor een dwarslaesie opgelopen. Na een uitgevoerde operatie heeft hij weer gevoel in armen en benen teruggekregen. Het ongeval is door Attero gemeld bij de Inspectie SZW. De arbeidsinspecteur heeft geconcludeerd dat ten tijde van het ongeval de voorzieningen voor het overbruggen van het hoogteverschil bij de nooduitgang voldeden aan de gestelde voorschriften uit het Bouwbesluit. De inspecteur heeft geen causaal verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het ongeval. Werknemer heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Biemans en Attero hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter bekrachtigd.

Conclusie A-G Hartlief

Uit het arrest van het hof  blijkt dat het hof in het licht van de situatie op het moment van het ongeval, met aandacht voor de aard van de werkzaamheden, het op dat moment te verwachten gebruik van de treden en het ontbreken van obstakels op de treden, heeft geoordeeld dat er geen aanleiding was voor specifieke instructies of waarschuwingen van de werkgever of voor een andere inrichting van de ongevalslocatie teneinde het ongeval te voorkomen. De werkgever mocht juist in dit geval rekenen op de normale voorzichtigheid die een werknemer in acht dient te nemen en werknemer heeft dit kennelijk niet gedaan. Dat Attero achteraf een plaat heeft geplaatst, betekent wat het hof betreft niet dat de oorspronkelijke situatie onder de maat was. Daarmee heeft het hof de relevante omstandigheden van het geval, ook in onderling verband, bezien en gewogen. 

Waar het subonderdeel betoogt dat het hof had moeten meewegen dat werknemer niet bekend was met de ruimte waar het ongeval plaatsvond en dat daarom een waarschuwing met betrekking tot het hoogteverschil op haar plaats was, miskent het subonderdeel dat het hof in r.o. 3.9.1 heeft geoordeeld dat de eerste trede niet door werknemer gemist kon zijn omdat deze zich over de gehele lengte van de galerij bevond. En in r.o. 3.9.3 heeft het hof, het zij nogmaals benadrukt, geoordeeld dat Attero en Biemans gelet op het te verwachten gebruik van de treden niet kan worden verweten dat zij wat inrichting van de ongevalslocatie betreft onvoldoende maatregelen hebben genomen om het ongeval te voorkomen. Ten overvloede merkt de A-G hierbij nog op dat werknemer eerst van binnenuit de twee treden is opgelopen. Dit is ook door het hof onderkend in r.o. 3.9.2. waarin het heeft geoordeeld dat werknemer bij het zich verplaatsen naar de deur zelf moet hebben waargenomen dat hij tweemaal een hoogteverschil via een trede moest overbruggen, zodat hij daar bij zijn terugkeer bedacht op had kunnen en moeten zijn. Er kan dus niet worden gezegd dat werknemer niet bekend was met de situatie bij de nooduitgang ten tijde van het ongeval en het hof was dan ook niet gehouden om dit gegeven te betrekken bij zijn beoordeling of Attero en Biemans  aan hun zorgplicht hebben voldaan.

Voor de beoordeling van dit subonderdeel dient als uitgangspunt dat het enkele gegeven dat achteraf blijkt dat de werkgever vóór het ongeval een effectievere maatregel had kunnen treffen die het ongeval had kunnen voorkomen, niet betekent dat daarmee vaststaat dat de werkgever niet aan zijn zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan. Wel moet dan worden onderzocht waarom niettemin het treffen van deze maatregel destijds niet van de werkgever kon worden gevergd, waarbij het van belang is of het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt kenbaar was voor de werkgever (met inachtneming van het ervaringsfeit dat werknemers niet altijd de nodige voorzichtigheid in acht nemen) en de mate waarin het treffen van de maatregel reeds voor het ongeval voor de hand lag voor de werkgever of zijn deskundigen. Als de werkgever na het ongeval daadwerkelijk een andere veiligheidsmaatregel heeft getroffen, en de werknemer onbetwist heeft gesteld dat deze maatregel een eenvoudige en geschikte maatregel was die ook voor het ongeval kon worden getroffen, dient de rechter dit gegeven mee te wegen bij zijn beoordeling van de vraag in hoeverre het bezwaarlijk was voor de werkgever om veiligheidsmaatregelen te nemen teneinde het ongeval te voorkomen. Tegelijkertijd is voorzichtigheid geboden, omdat het meewegen van hetgeen na het ongeval is gebeurd bij de vraag of de werkgever voor het ongeval aan zijn zorgplicht had voldaan, tot een onzorgvuldige oordeelsvorming kan leiden vanwege een zogenoemde hindsight bias. Wanneer een achteraf getroffen maatregel mag meewegen bij de beantwoording van de vraag of de werkgever voor het ongeval aan zijn zorgplicht had voldaan, is het verleidelijk om te oordelen dat de werkgever die maatregel ook voor het ongeval al had kunnen en vooral moeten treffen. Aan die verleiding moet weerstand worden geboden. Daarbij moet worden bedacht dat er verschillende redenen zijn om na een eventueel ongeval een maatregel te treffen. Zo kan het zijn dat de werkgever na het ongeval een maatregel treft om in ieder geval ‘iets te doen’ om een soortgelijk ongeval in de toekomst te voorkomen. Dit zegt echter nog niks over de vraag of van hem ook op straffe van aansprakelijkheid kon worden verlangd dat hij deze maatregel al voor het ongeval had getroffen. Zoals hiervoor aan de orde kwam, hangt dit af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Oordeel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).