Naar boven ↑

Rechtspraak

Schending van de informatieplicht ex artikel 7:655 BW leidt niet tot omkering bewijslast, maar wel tot gezichtspunt in Haviltex.

Feiten

Werknemer is in de periode 2019-2021 bij Verisure in dienst geweest als ‘security expert plus’. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de voorwaarden ten aanzien van de bonusregeling door Verisure worden vastgelegd in een addendum dat een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van de arbeidsovereenkomst. Dat addendum is er niet. Wel is er een ‘booklet’, met daarin een componentenschema, dat bij indiensttreding aan werknemer is verstrekt. Het componentenschema geeft naar het oordeel van het hof geen uitsluitsel of op de door de verkoopresultaten gerealiseerde bonus het vaste salaris in mindering moet worden gebracht, of niet. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de bonus ‘bovenop’ het vaste salaris komt. Niet is komen vast te staan dat Verisure tijdens het sollicitatiegesprek aan werknemer voldoende duidelijkheid heeft gegeven dat de bonusregeling moet worden uitgelegd zoals Verisure dat voorstaat. Werknemer heeft in ieder geval in april 2020 ondubbelzinnig aan Verisure laten weten het niet eens te zijn met de door Verisure aan de bonusregeling gegeven uitleg. Partijen verschillen erover van mening of werknemer dat al eerder had laten weten. Werknemer zegt van wel en ook een medewerker van Verisure verklaart als getuige dat werknemer in een gesprek in de eerste twee maanden na zijn indiensttreding hem al gemeld had dat in het contract stond dat de bonus bovenop het basissalaris kwam. Gelet op al deze omstandigheden legt het hof de bonusregeling ten aanzien van werknemer aldus uit dat de bonus bovenop het salaris komt, en dat daarop niet het vaste salaris in mindering wordt gebracht. In de tussenbeschikking heeft het hof, los hiervan, al overwogen dat de bonusregeling onder het bereik van artikel 7:655 lid 1 aanhef en onder h en lid 3 BW valt en dat Verisure werknemer daarom schriftelijk had moeten informeren over de inhoud van de bonusregeling. In cassatie klaagt Verisure onder meer dat het hof ten onrechte uit schending van artikel 7:655 BW een omkering van de bewijslast heeft afgeleid en toegepast. 

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. 

Schending van de informatieplicht ex artikel 7:655 BW leidt niet tot omkering bewijslast, maar wel tot gezichtspunt in Haviltex

Artikel 7:655 lid 1 BW bevat een verplichting voor de werkgever om de werknemer schriftelijk of elektronisch bepaalde gegevens te verschaffen (hierna: de informatieplicht). In cassatie is niet bestreden dat tot de te verstrekken gegevens in dit geval behoren de bonusregeling, als onderdeel van het loon, en de wijze van berekening daarvan. De regeling van artikel 7:655 BW dient ter implementatie van (thans) artikel 4 Richtlijn (EU) 2019/11524 (hierna: de Richtlijn). De Richtlijn heeft volgens de considerans ten doel voor werknemers een voldoende mate van transparantie en voorspelbaarheid wat betreft hun arbeidsvoorwaarden te waarborgen. In zijn arrest Kampelmann heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder de voorloper van de Richtlijn) overwogen dat, hoewel de Richtlijn de nationale regels inzake de bewijslast als zodanig onverlet laat, de nationale rechterlijke instanties deze regels in het licht van het doel van de Richtlijn moeten toepassen en uitleggen. Het strookt met het doel van de Richtlijn om in een geval waarin een werknemer een vordering tegen zijn werkgever instelt waaraan hij een bepaalde uitleg van een bepaling in de arbeidsovereenkomst ten grondslag legt, en waarin in verband daarmee tussen partijen in geschil is of de werkgever ter zake van die bepaling aan zijn informatieplicht heeft voldaan, de werkgever te belasten met het bewijs van zijn standpunt dat dit het geval is. Indien de werkgever niet in dat bewijs slaagt, brengt dat evenwel niet zonder meer mee dat de bepaling waarop de informatieplicht ziet, moet worden uitgelegd in de door de werknemer bepleite zin. Welke uitleg de juiste is, moet aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden beoordeeld, waarbij de stelplicht en bewijslast op de werknemer rusten die zich op het rechtsgevolg van die bepaling beroept. Mede gelet op het doel van de informatieplicht behoort een schending daarvan tot de bij de uitleg in aanmerking te nemen omstandigheden. 

Het hof acht onder meer van belang dat het ‘addendum’ waarin de voorwaarden van de bonusregeling zouden moeten zijn vastgelegd er niet is, dat het componentenschema uit het ‘booklet’ dat wel is verstrekt geen uitsluitsel geeft over de vraag of de door de verkoopresultaten gerealiseerde bonus op het vaste salaris in mindering moet worden gebracht of niet, en dat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de bonus “bovenop” het vaste salaris komt. De onderdelen kunnen in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Voor zover onderdeel  betoogt dat aan de schending van de informatieplicht door Verisure in het geheel geen gewicht toekomt, faalt het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

Onderdeel 1.1.3 klaagt dat het hof bij de uitleg van de bonusregeling niet kenbaar aandacht heeft besteed aan een aantal essentiële stellingen van Verisure. Het onderdeel noemt onder meer het betoog van Verisure dat de door de werknemer bepleite uitleg ertoe zou leiden dat ook medewerkers die onder de maat presteren en slechts enkele verkopen realiseren elke maand voor een bonus in aanmerking zouden komen. Het onderdeel slaagt in zoverre. De aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg levert een gezichtspunt op dat in voorkomend geval bij de uitleg moet worden betrokken. Het hof is niet kenbaar op het bedoelde betoog van Verisure ingegaan.