Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 december 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:3666
Feiten
In 2014 zijn de gemeente Achtkarspelen en de gemeente Tytsjerksteradiel gaan samenwerken op de beleidsterreinen wonen en leven, zorg en inkomen en ondernemen. Op 22 juni 2023 hebben de gemeenteraden van beide gemeenten besloten de samenwerking met ingang van 1 januari 2025 te beëindigen. Als gevolg daarvan moet een deel van de ambtelijke organisatie weer ondergebracht worden in de eigen ambtelijke organisatie van de gemeente Achtkarspelen (hierna: de gemeente). Op 29 februari 2024 heeft de gemeenteraad een besluit genomen dat is neergelegd in het document ‘Koersbepaling: Bouwen aan de gemeente Achtkarspelen’. In dit document wordt de koers van de gemeente uiteengezet zoals die er na de ontvlechting van de samenwerking met de gemeente Tytsjerksteradiel uit moet komen te zien. Vervolgens is dit verder uitgewerkt en op 10 april 2024 heeft de gemeentesecretaris de ondernemingsraad advies gevraagd over de uitwerking van de koersbepaling zoals neergelegd in het document met de titel ‘Koersvertaling: de basis staat’. Op 27 mei 2024 heeft de OR zijn advies uitgebracht en onder meer geadviseerd de functie van seniormedewerker toe te voegen aan het nieuwe team groen, reiniging en wegen. In het besluit van de gemeente van 30 mei 2024 wordt aangegeven dat dit voorstel van de OR niet past binnen de kaders die zijn vastgesteld voor het inrichten van de nieuwe ambtelijke organisatie. De OR stelt beroep in bij de Ondernemingskamer en legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de gemeente bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit van 30 mei 2024 met betrekking tot de inrichting van de ambtelijke organisatie. De gemeente stelt zich op het standpunt dat het besluit onder het primaat van de politiek valt en dat de OR daarom geen beroep kan instellen.
Oordeel
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Artikel 46d aanhef en onder b WOR houdt in dat voor de toepassing van artikel 23 lid 2 WOR onder de aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen zijn de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen. Uit het stelsel van de WOR volgt dat besluiten over die aangelegenheden in zoverre niet alleen zijn uitgezonderd van de verplichting tot overleg met de ondernemingsraad, maar ook van het in artikel 25 WOR neergelegde adviesrecht van de ondernemingsraad en van het in artikel 26 WOR opgenomen recht van beroep bij de Ondernemingskamer (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:397). Deze bepaling beoogt besluiten van democratisch gecontroleerde organen die een politieke afweging vergen van de daaraan verbonden voor- en nadelen, te onttrekken aan het adviesrecht van de ondernemingsraad. Deze beperking van het medezeggenschapsrecht van de ondernemingsraad wordt ook wel aangeduid met de term ‘het primaat van de politiek’.
Op grond van artikel 160 lid 1 aanhef en onder c Gemeentewet is het college van B en W bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente, met uitzondering van de organisatie van de griffie. Het ligt voor de hand dat de wijze waarop de ambtelijke organisatie is ingericht en vormgegeven en daaraan leiding wordt gegeven, van wezenlijk belang is voor de mate waarin het college van B en W zijn beleidsdoelstellingen kan realiseren. In het onderhavige geval heeft het college van B en W zich ook actief bemoeid met de nieuwe inrichting van de ambtelijke organisatie waartoe het besluit strekt. De gekozen inrichting van het team groen, reiniging en wegen is onderdeel van de nieuwe inrichting van de ambtelijke organisatie en het besluit daarover vergt onmiskenbaar een politieke afweging van de daaraan verbonden voor- en nadelen. Het besluit valt daarmee onder de reikwijdte van het primaat van de politiek en is op grond van de WOR van medezeggenschap uitgezonderd, behoudens voor zover het de personele gevolgen van het besluit betreft.
Ter zake van de toepassing van de in artikel 46d aanhef en onder b WOR opgenomen uitzondering voor besluiten die personele gevolgen regelen, geldt dat ook voor besluiten waaraan personele gevolgen inherent zijn, maar die niet in het bijzonder strekken tot regeling van die gevolgen, de ondernemingsraad geen advies en beroepsrecht toekomt (HR 26 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4735; HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9856). In dit geval is sprake van een dergelijk besluit. Weliswaar is aannemelijk dat het besluit van 30 mei 2024 gevolgen heeft voor de werkzaamheden van de binnen de gemeente in het team groen, reiniging en wegen werkzame personen, maar het besluit is niet in het bijzonder gericht op het regelen van die gevolgen. Het besluit strekt immers tot het (anders) inrichten van de ambtelijke organisatie van de gemeente en niet specifiek tot het regelen van de gevolgen van die inrichting voor de werkzaamheden van de binnen de gemeente werkzame personen. De aan het slot van artikel 46d aanhef en onder b bedoelde uitzondering op het primaat van de politiek doet zich hier daarom niet voor.
De Ondernemingskamer overweegt tot slot dat ook het feit dat aan de OR ongeclausuleerd is gevraagd te adviseren over de beoogde inrichting van de ambtelijke organisatie, niet betekent dat de OR op grond daarvan het beroepsrecht van artikel 26 WOR toekomt (HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:397).
Voor de OR staat geen beroep open tegen het besluit van 30 mei 2024. Afwijzing van het verzoek volgt.