Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 september 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:7447
werkneemster/De Boom Tankstation B.V.
Feiten
Werkneemster is per 15 mei 2017 voor de duur van een jaar in dienst getreden bij De Boom. Blijkens de arbeidsovereenkomst zijn partijen een proeftijd overeengekomen van een maand. Werkneemster voert aan dat zij op 15 juni 2017 op staande voet is ontslagen. Tevens merkt werkneemster op dat de proeftijd op 15 juni 2017 reeds was verstreken. De Boom is van oordeel dat dat het geen ontslag op staande voet is, maar het stopzetten van het dienstverband binnen de proeftijd (op 12 juni 2017). Werkneemster vordert in kort geding onder meer doorbetaling van het loon vanaf 15 juni 2017.
Oordeel
In artikel 7:671 lid 1 aanhef en onderdeel b BW is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij de opzegging geschiedt gedurende de proeftijd. Voorts bepaalt artikel 7:681 lid 1 aanhef en onderdeel a BW dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Een en ander betekent,dat (ook) een opzegging door de werkgever in strijd met een overeengekomen proeftijdbeding, zoals hier door werkneemster is gesteld, onder de reikwijdte van artikel 7:681 lid 1 BW valt en door de kantonrechter kan worden vernietigd. Vernietiging kan uiteraard alleen in een bodemprocedure en niet bij kort geding worden uitgesproken. Voor toewijzing van een vordering in kort geding geldt de eis dat zij in een bodemprocedure zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Door werkneemster is echter tot op heden niet een verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging bij de kantonrechter ingediend. Artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW bepaalt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen (bedoeld is: strekkende tot vernietiging van de opzegging) vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Deze bepaling geldt ook indien het een verzoek op grond van (onder meer) artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW (‘in strijd met artikel 671’) betreft. Vastgesteld moet worden dat werkneemster niet binnen de twee maanden na de opzegging een verzoekschrift tot vernietiging van die opzegging heeft ingediend, zodat die opzegging thans niet meer voor vernietiging door de kantonrechter in aanmerking kan komen en dat die opzegging dus onaantastbaar is geworden. Dit leidt tot het oordeel dat de onderhavige vordering van werkneemster in kort geding, die is gebaseerd op een vernietigbare opzegging, in een bodemprocedure geen enkele kans van slagen heeft, omdat werkneemster daarin niet kan worden ontvangen. Hieruit vloeit voort dat de vordering van werkneemster moet worden afgewezen.