Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 13 oktober 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:10312
werkneemster/Mercedes-Benz Customer Assistance Center Maastricht N.V.
Feiten
Werkneemster is sinds 1 augustus 1999 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van MB CAC, laatstelijk in de functie van Service Account Manager. Op 3 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en haar leidinggevende mevrouw X, general manager van MB CAC, en de heer Y, HR consultant. Tijdens dat gesprek heeft mevrouw X te kennen gegeven dat zij voornemens is het dienstverband met werkneemster te gaan beƫindigen vanwege, kort gezegd, misstanden op de werkvloer van de afdeling waarvoor werkneemster (eind)verantwoordelijk is. Aan het eind van het gesprek is aan werkneemster te kennen gegeven dat zij op non-actief is gesteld. Werkneemster maakt vanaf 21 augustus 2017 geen gebruik meer van de leaseauto van MB CAC en heeft sinds 3 mei 2017 de bedongen arbeid niet meer verricht. MB CAC heeft het loon tot op heden op reguliere wijze doorbetaald. Op 4 oktober 2017 heeft MB CAC in een andere procedure een verzoekschrift bij de kantonrechter van deze rechtbank ingediend waarin zij verzoekt om de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2017 te ontbinden zonder toekenning aan werkneemster van enige vergoeding. Werkneemster vordert in onderhavige procedure onder meer doorbetaling van het loon, wedertewerkstelling en een rectificatie jegens medewerkers en klanten.
Oordeel
Ter zitting heeft de kantonrechter reeds te kennen gegeven wat zijn beslissing is (namelijk dat hij de vordering zal afwijzen) en heeft hij dat oordeel ook toegelicht, zodat hier volstaan zal worden met een verkorte motivering. Vast is komen te staan dat MB CAC het loon tot op heden gewoon heeft doorbetaald, terwijl MB CAC in haar antwoord en ter zitting bovendien heeft toegezegd het loon ook te zullen blijven doorbetalen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beƫindigd. Een belang bij de gevorderde loondoorbetaling ontbreekt derhalve. Ten aanzien van de gevorderde wedertewerkstelling en de rectificatie heeft te gelden dat op dit moment onvoldoende zekerheid bestaat over een voor werkneemster positieve uitkomst van een bodemprocedure, terwijl tevens duidelijk is dat die bodemprocedure (in dit geval het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst) reeds op zeer korte termijn voor behandeling gepland staat.