Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 16 november 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:5095
werkgever/werkneemster
Feiten
Werkneemster is sinds 2010 bij werkgever in dienst als magazijnmedewerkster. Werkneemster heeft een loonvordering ingesteld, omdat volgens haar haar loon niet was ‘geïndexeerd’ en haar brutoloon (dus niet haar nettoloon) naar beneden was bijgesteld. De kantonrechter heeft deze loonvordering in eerste aanleg toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep. Bij tussenbeschikking van 8 juni 2016 heeft het hof reeds overwogen dat werkgever niet onder de werkingssfeer van de cao Bakkersbedrijf valt en dat de loonvordering, voor zover daarop gebaseerd, wordt afgewezen. Hetzelfde geldt voor de op die cao gebaseerde vordering tot betaling van toeslagen tot een bedrag van € 244,20 bruto. Het hof heeft werkgever toegelaten te bewijzen dat (en met ingang van wanneer) partijen in 2013 zijn overeengekomen dat werkneemster voortaan recht had op een netto-uurloon van € 10.
Oordeel
Het hof acht bewezen dat werkgever met werkneemster heeft afgesproken dat haar loon met ingang van maart 2013 € 9,95 netto per uur zou bedragen (beter gezegd: het bruto equivalent van € 9,95 netto per uur). Daartoe wordt het volgende overwogen. X, statutair directeur van werkgever, verklaart als partijgetuige dat werkneemster begin 2013 bij hem is gekomen en onder meer heeft verzocht om voortaan € 9,95 netto uitbetaald te krijgen, omdat ze niet afhankelijk wilde zijn van eventuele belastingschommelingen. Hij verklaart voorts dat dat toen ook is doorgegeven aan zijn accountant Y en dat die vervolgens het loon op basis van die afspraak heeft berekend. A, de moeder van X en werkzaam bij werkgever, verklaart als getuige dat zij enkele jaren geleden een gesprek hoorde tussen werkneemster en X, tijdens welk gesprek werkneemster tegen X zei dat zij elke maand hetzelfde nettobedrag wilde. Na dat gesprek vroeg X aan A of zij een mailtje kon sturen naar de loonadministratie met de mededeling dat werkneemster elke maand hetzelfde loon wilde hebben en dat was, naar A meent, € 9,95 per uur. Desgevraagd verklaart A dat zij zich het bedrag van € 9,95 herinnert omdat dat telkens als netto uurloon op de loonspecificaties stond. Zij verklaart voorts dat zij het mailtje met de mededeling dat voortaan moest worden uitgegaan van een nettoloon van € 9,95 destijds heeft verzonden aan Y , die de salarisadministratie deed. Y verklaart als getuige dat zijn kantoor de salarisadministratie van werkgever verzorgt. Hij herinnert zich dat in het begin van 2013 is gesproken over een vast nettoloon voor werkneemster. Hij heeft ter zitting een mailbericht van 20 maart 2013 van A aan B overgelegd waarin wordt aangegeven dat werkneemster vanaf maart 2013 nog maar 27 uur per week werkt en dat X met haar had afgesproken dat haar nettoloon € 1.163,78 per maand zou worden. Voorts blijkt uit de verklaring van X in samenhang met de overgelegde Excel-print van Y en de in de procedure overgelegde salarisspecificaties genoegzaam dat vanaf maart 2013 telkens is uitgegaan van een netto uurloon van € 9,95. Ten slotte staat vast dat werkneemster noch in 2013, noch in 2014 heeft geprotesteerd tegen de hoogte van het betaalde salaris. Ook indien rekening wordt gehouden met de beperkte bewijskracht van de partijgetuigenverklaring van X, is de door werkgever gestelde afspraak bewezen, gelet op de hiervoor vermelde onderdelen van de verklaringen van A en Y, de in dat kader overgelegde Excel-print en de salarisspecificaties met ingang van maart 2013. Nu werkgever het loon conform de door werkgever bewezen loonafspraak heeft betaald, is de eindconclusie dat de loonvordering van werkneemster in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen.