Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/B.V. Bouwmachines C. De Hon & Zn.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 21 november 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:10196

werknemer/B.V. Bouwmachines C. De Hon & Zn.

Eindarrest na bewijsopdracht. Ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden is niet op valse of voorgewende grond gegeven en is evenmin in strijd met afspiegelingsbeginsel. Wel is sprake van kennelijk onredelijk ontslag op grond van gevolgencriterium, omdat werknemer ten onrechte op non-actief is gesteld.

Feiten

Werknemer is sinds 2006 in dienst bij B.V. Bouwmachines C. De Hon & Zn. (hierna: De Hon) in de functie van vertegenwoordiger bekisting. De Hon heeft in 2012 op bedrijfseconomische gronden ontslagaanvragen ingediend bij het UWV voor een vijftal werknemers, waaronder werknemer. Het UWV heeft de ontslagvergunningen verleend. De Hon heeft daarop het dienstverband met werknemer opgezegd tegen 1 november 2012. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en schadevergoeding. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat geen sprake is van een valse of voorgewende reden. Wel is volgens de kantonrechter sprake van een kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium. Bij tussenarrest van 2016 heeft het hof werknemer toegelaten tot het doen van bewijsverrichtingen met betrekking tot de door hem gestelde valse of voorgewende reden voor ontslag.

Oordeel

Geen valse of voorgewende reden voor ontslag

Werknemer stelt dat zijn collega X de functie van vertegenwoordiger bekisting ook na december 2012 is blijven vervullen en dat het ontslag van werknemer derhalve berust op een valse of voorgewende reden en in strijd is met het afspiegelingsbeginsel. In dit verband voert werknemer aan dat de werkzaamheden die hij in zijn functie van vertegenwoordiger bekisting uitvoerde in belangrijke mate overeenkomen met de werkzaamheden die X uitvoert (te weten: bedrijfsleider bekistingen), zodat sprake is van onderlinge uitwisselbaarheid van de functies. Het hof volgt werknemer hierin niet en oordeelt als volgt. Uit de verklaring van X blijkt dat zijn werkzaamheden na december 2012 wezenlijk zijn veranderd en ook een andere functiebenaming hebben gekregen. Werknemer stelt vervolgens dat uit e-mailcorrespondentie met De Hon blijkt dat hij in de functie van vertegenwoordiger bekistingen feitelijk ook de werkzaamheden uitoefende die behoren bij de functie van X. De stelling baat werknemer echter niet. Naar het oordeel van het hof komt het bij uitwisselbaarheid van functies niet primair aan op de vraag hoe een individuele werknemer zijn functie feitelijk vervulde. Uitgangspunt is een vergelijking van de functiebeschrijvingen en hetgeen de werkgever op grond daarvan van zijn werknemer kan verlangen. Nu werknemer heeft nagelaten gemotiveerd aan te voeren dat de functiebeschrijving van vertegenwoordiger bekistingen zodanig overeenkomt met die van bedrijfsleider bekistingen, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een door De Hon aangevoerde valse of voorgewende reden voor het ontslag van werknemer. Het ontslag is evenmin in strijd met het afspiegelingsbeginsel.

Kennelijk onredelijk ontslag

Op 10 juli 2012 heeft De Hon aan werknemer te kennen gegeven dat deze laatste met onmiddellijke ingang werd vrijgesteld van zijn verplichting tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. De reden hiervoor was dat werknemer had aangegeven het ontslag aan te zullen vechten, zodat volgens De Hon niet langer van hem kon worden verwacht dat hij de vereiste motivatie kon opbrengen om zijn functie naar behoren te vervullen. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat het op non-actief stellen van een werknemer als reactie op zijn mededeling dat hij verweer wenste te voeren tegen de ontslagaanvraag, in strijd is met goed werkgeverschap. Het hof is eveneens van oordeel dat dit meegewogen kan worden als een omstandigheid ten tijde van het ontslag die ook het gevolg van het ontslag mede bepaalt. Een (voorafgaand aan het ontslag) onterecht gegeven schorsing werkt door in het gevolg dat het ontslag heeft voor een werknemer, in die zin dat deze het ontslag (emotioneel) zwaarder en ingrijpender maakt. Werknemer heeft in dit verband ook aangevoerd dat hij de schorsing als diffamerend heeft ervaren en dat deze bij hem veel spanningsklachten, en zelfs hartklachten, heeft veroorzaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk moet worden geoordeeld op grond van het gevolgencriterium.