Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 december 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:6075
werkgever/werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2014 in dienst getreden van werkgever in de functie van elektro/beveiligingsmonteur. Werkgever kwam tot de conclusie dat er werd gestolen uit het magazijn. Van 25 juli 2016 tot en met 27 juli 2016 heeft een recherchebureau in opdracht van werkgever onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van vermissingen van materialen uit het magazijn. Op 27 juli 2016 heeft een gesprek tussen werknemer en medewerkers van het recherchebureau plaatsgevonden. Werknemer heeft erkend spullen van werkgever te hebben meegenomen. De spullen werden daarna door werknemer verkocht. Vervolgens heeft werknemer op 27 juli 2016 aan werkgever verschillende artikelen overhandigd die door hem in de laatste twee/drie weken waren meegenomen en een geldbedrag van € 9.000 dat door hem was verkregen met de meegenomen artikelen. Op 28 juli 2016 is werknemer door werkgever op staande voet ontslagen. Werkgever vordert onder meer schadevergoeding (€ 221.780,74) op grond van onrechtmatige daad dan wel wanprestatie en een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW.
Oordeel
Vast staat dat werknemer zonder toestemming materialen uit het magazijn van werkgever heeft meegenomen met het doel deze te verkopen aan anderen. De verklaring voor recht zoals door werkgever onder I. gevorderd, kan dan ook worden toegewezen. Aansprakelijkheid voor nog te lijden schade wordt afgewezen, omdat werkgever niet heeft onderbouwd welke schade dat dan zou zijn. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is de vraag hoe hoog de door werkgever geleden schade is als gevolg van deze onrechtmatige daad van werknemer. De vordering van werkgever bedraagt op dit punt nu € 176.990,74. Werkgever heeft deze berekening gebaseerd op de inkoopwaarde van de materialen en het aantal vermiste producten in de periode maart 2014, 2015 en 2016. Werknemer betwist dat hij betrokken is bij diefstal/verduistering tot het door werkgever gevorderde bedrag. Werknemer stelt zich op het standpunt dat niet alle vermissingen voor zijn rekening dienen te komen. Daarnaast stelt werknemer dat er nog loon, vakantiegeld en de wettelijke vergoeding voor opgebouwde vakantiedagen moet worden uitbetaald, ter hoogte van circa € 6.000. Het schadebedrag van werkgever kan daarmee verrekend worden. De rechtbank ziet de door werknemer gestelde verrekening als een verrekeningsverweer in de zin van artikel 6:136 BW. Werkgever heeft tegenover dit verweer niets gesteld zodat de rechtbank, bij de uiteindelijke berekening van de schade, met deze verrekening rekening zal houden. Allereerst zal de rechtbank de vraag beantwoorden of werknemer aansprakelijk kan worden gesteld voor het vergoeden van de schade van werkgever in de jaren 2014 en 2015. De vorderingen voor het jaar 2014 en 2015 worden, gelet op al het voorgaande in onderling verband, afgewezen. Wat betreft 2016 overweegt de rechtbank als volgt. Werknemer erkent dat hij vanaf januari 2016 materialen uit het magazijn van werkgever heeft meegenomen. Het bedrag van € 95.914,31 is voor toewijzing vatbaar, waarvan, gelet op de vermindering van eis, € 2.587 in mindering wordt gebracht (zijnde geretourneerde groepenkasten en dimmers), zodat een bedrag van € 93.327,31 resteert. Naast vergoeding van de schade als gevolg van verdwenen materiaal, maakt werkgever ook aanspraak op vergoeding van kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. De rechtbank is van oordeel dat het door werkgever gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar is. Gelet op al het voorgaande is een bedrag aan schadevergoeding van € 100.977,31 (€ 93.327,31 + € 7.650) voor toewijzing vatbaar. Verder vordert werkgever vergoeding van € 2.936,41, zijnde het brutosalaris van werknemer over de periode 29 juli 2016 tot en met 31 augusus 2016 vermeerderd met 8% vakantietoeslag, voor het opzettelijk veroorzaken van een dringende reden voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst (art. 7:677 lid 2 en 3 BW). De rechtbank zal het door haar gevorderde toewijzen.