Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 februari 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:747
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is sinds april 1997 in dienst van werkgeefster. Tot 1 januari 2017 was onderdeel van de arbeidsvoorwaarden dat werkneemster deelneemt in de door werkgeefster bij Aegon ondergebrachte pensioenvoorziening. Werkneemster draagt 50% bij aan deze premie. Werkgeefster heeft evenwel over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2017 niet de verschuldigde premies afgedragen aan Aegon. Werkgeefster heeft in die periode wel de bijdrage van werkneemster aan de pensioenpremie op haar salaris ingehouden. Bij brief van 20 februari 2014 heeft Aegon aan werkgeefster bericht dat een debetsaldo is ontstaan met als gevolg dat de door werkgeefster afgesloten pensioenverzekeringen van haar werknemers premievrij zijn gemaakt en dat de eveneens overeengekomen verzekeringsdekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico en overlijdensrisico is vervallen. Tevens is de door werkgeefster ten behoeve van werkneemster afgesloten Aegon Gezond Werkplanpolis met ingang van 1 oktober 2015 beëindigd als gevolg van het uitblijven van de premiebetaling. Werkneemster vordert – kort gezegd – onder meer het door de werkgever alsnog storten van wel ingehouden maar niet afgedragen pensioenpremies.
Oordeel
Werkgeefster voert onder meer als verweer dat er sprake was van een in overleg met het personeel genomen beslissing om de pensioenafdracht te staken ter voorkoming van een faillissement. De kantonrechter oordeelt dat dit verweer werkgeefster niet kan baten: zelfs in het geval dat het gestelde uitstel van afdracht van pensioenpremie met het personeel was afgestemd ter afwending van een faillissement, volgt niet uit haar stellingen dat het personeel een dergelijk uitstel tot in lengte van jaren zou moeten gedogen. De vordering is dus opeisbaar. De kantonrechter oordeelt met betrekking tot de hoogte van de schade dat werkneemster haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op haar weg gelegen navraag bij Aegon te doen. Dit betekent dat de niet betaalde pensioenpremie wordt vastgesteld op een bedrag van € 10.177,81 als door werkgeefster erkend. De vorderingen van werkneemster met betrekking tot de niet afgedragen premiebedragen voor de Anw-hiaatverzekering en de WGA-aanvullingsverzekering en voor het nabestaandenpensioen zullen worden afgewezen. Deze vorderingen hebben immers uitsluitend ten doel een vergoeding te verkrijgen van verondersteld misgelopen waarde-opbouw, waarvan echter geen sprake is. Uit het voorgaande volgt dat alleen het bedrag van € 10.177,81 in aanmerking komt voor de door werkneemster gewenste storting bij een van beide door haar genoemde verzekeraars. De door werkneemster geciteerde vorderingen onder a) tot en met c) zullen tot dit bedrag vermeerderd met 7,36% wegens misgelopen rendement worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt de vorderingen onder a) en c) in onderling verband aldus dat werkneemster van werkgeefster verlangt dat werkgeefster iedere offerte (tot een bedrag van maximaal € 10.177,81) van een van beide pensioenverzekeraars/-uitvoerders moet accepteren, ook in het geval de offerte slechts betrekking heeft op een lager bedrag. De vordering onder c) ziet dan op de situatie dat de offerte op een lager bedrag uitkomt. Werkneemster heeft tot slot onweersproken gesteld dat werkgeefster ten behoeve van haar een WGA-aanvulling heeft verzekerd onder de polis 'Aegon Gezond Werkplan' en dat die verzekering per 1 oktober 2015 is geëindigd als gevolg van de premiewanbetaling. Werkgeefster heeft de vordering van werkneemster tot het alsnog afsluiten van de WGA-aanvullingsverzekering onvoldoende weersproken. Deze vordering zal worden toegewezen.