Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 28 maart 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:1065
werkneemster/werkgever
Feiten
Bij beschikking van 16 augustus 2017 heeft de kantonrechter werkneemster toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat werkgever haar op 30 mei 2017 op staande voet heeft ontslagen. Werkneemster heeft de geluidsopname van het gesprek van 30 mei 2017 en een transcriptie van het gesprek in het geding gebracht.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat werkgever haar tijdens dit gesprek ontslag op staande voet heeft verleend. Daartoe acht de kantonrechter onder meer het volgende redengevend. Uit de geluidsopname blijkt dat werkgever in het gesprek zowel de resultaten van zijn onderzoek wilde mededelen als daar ook direct consequenties aan wilde verbinden. Vervolgens geeft hij aan geen andere mogelijkheid te zien dan ontslag op staande voet. Werkgever heeft aangevoerd dat juist blijkt dat er geen ontslag op staande voet werd gegeven, omdat er nog overleg zou worden gepleegd. De vraag is of de mededelingen door werkneemster zodanig hadden dienen te worden opgevat dat het eerder in dat gesprek gegeven ontslag op staande voet werd ingetrokken. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Werkgever heeft in het gesprek in ieder geval grote onduidelijkheid gecreëerd bij werkneemster over de status van haar dienstverband. Die onduidelijkheid heeft werkgever voorts ook nog onnodig lang laten voortbestaan, doordat de nog voor diezelfde dag toegezegde brief er die dag niet is gekomen, evenmin als kort daarna. Pas nadat werkneemster een ruime week later haar verzoekschrift bij de rechtbank had ingediend heeft werkgever een brief verzonden aan werkneemster waarin zij mededeelde geen ontslag op staande voet te verlenen. De conclusie is dat werkneemster is geslaagd in het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat werkgever haar op 30 mei 2017 op staande voet heeft ontslagen. Werkneemster wordt verweten dat zij haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden; dat zij zich niet collegiaal heeft gedragen; dat haar houding tegenover werkgever obstinaat is; en dat zij tot tweemaal toe niet verschenen is tegen de datum en het tijdstip van de oproeping voor een gesprek. Werkgever heeft het verwijt dat werkneemster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, gelet op dit verweer, onvoldoende onderbouwd. De overige gestelde gedragingen leveren naar het oordeel van de kantonrechter evenmin een dringende reden op. Daarnaast was dit gestelde gedrag kennelijk nog maar van korte duur en is niet komen vast te staan dat werkneemster daar al eerder op is aangesproken en daarbij ook is gewaarschuwd wat de (ver strekkende) gevolgen zouden zijn indien zij dit gedrag zou continueren. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werkgever werkneemster ten onrechte ontslag op staande voet heeft verleend. De door werkneemster verzochte vergoeding met de onregelmatige opzegging zal dan ook worden toegewezen. Ook zal de verzochte transitievergoeding worden toegewezen, alsmede het gevorderde bedrag van € 1.616,81 bruto wegens niet genoten verlofuren.
Billijke vergoeding
Ook zal een billijke vergoeding worden toegewezen. De kantonrechter weegt bij de bepaling van de billijke vergoeding onder meer de volgende omstandigheden mee. Er is sprake van een langdurig en kennelijk vlekkeloos dienstverband van ruim zeventien jaar, dat uiteindelijk is uitgemond in een op non-actiefstelling en een (onterecht) ontslag op staande voet. Het diffamerende karakter van het na een gesprek nog tijdens werktijd, onder het toeziend oog van collega's, gedwongen het kantoor moeten verlaten, onder medeneming van persoonlijke spullen, is naar het oordeel van de kantonrechter evident en zal bij werkneemster zeker tot emotionele spanningen hebben geleid. Dit geheel van omstandigheden leidt tot een aanspraak op enige compensatie voor de immateriële schade die op € 6.500 wordt gesteld (zo'n vier maanden salaris). Voor wat betreft overige schade heeft werkgever aangevoerd dat werkneemster vanaf 29 augustus 2017 een andere baan heeft. In enige compensatie voor de (meer)kosten van begeleiding door haar gemachtigde in de aanloop naar deze procedure, los van een kostenveroordeling in deze verzoekschriftprocedure, ziet de kantonrechter wel aanleiding. De kantonrechter bepaalt dit bedrag op € 1.000. Het bovenstaand leidt ertoe dat de kantonrechter de billijke vergoeding zal vaststellen op een bedrag van € 7.500 bruto.