Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 19 maart 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:1160

werkneemster/werkgeefster

Vordering in kort geding tot schorsing van concurrentiebeding afgewezen. Het belang van werkgeefster kan niet worden ondervangen door het relatiebeding.

Feiten

Werkgeefster is werkzaam op het gebied van uitzenden, payroll services, werving & selectie, detachering en consultancy. Werkneemster is op 1 april 2007 in dienst getreden bij werkgeefster. Laatstelijk was zij werkzaam in de functie van Senior HR Backoffice medewerker. De arbeidsovereenkomst bevat in artikel 6 een concurrentie- en relatiebeding. Werkneemster heeft op 24 januari 2018 de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2018 opgezegd. Werkneemster heeft hierbij werkgeefster te kennen gegeven per laatstgenoemde datum in dienst te willen treden van X. X is werkzaam op het gebied van het uitzenden en detacheren van personeel en het voeren van salaris- en personeelsadministratie. Werkgeefster heeft werkneemster op 12 februari 2018 op non-actief gesteld. Werkgeefster heeft werkneemster te kennen gegeven dat zij aan artikel 6 uit de arbeidsovereenkomst zal worden gehouden en dat er aanspraak zal worden gemaakt op de te verbeuren boetes. Werkneemster vordert in kort geding onder meer onmiddellijke schorsing van het concurrentiebeding.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet voldoende aannemelijk geworden dat het belang van werkneemster bij vernietiging van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van werkgeefster bij handhaving. Dit geldt in het bijzonder nu het belang van werkneemster met name gelegen is in de mogelijkheid voor haar om bij X haar positie te verbeteren. Dat werkneemster haar positie kan verbeteren wordt echter, zowel voor wat betreft de financiƫn als de daadwerkelijke werkzaamheden, gemotiveerd door werkgeefster betwist. Als er wel van een positieverbetering zou moeten worden uitgegaan, is naar het oordeel van de kantonrechter bovendien onvoldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure tot vernietiging van het concurrentiebeding zal worden overgaan. Het ligt eerder in de rede dat de vordering in de bodemprocedure tot vernietiging van het (volledige) concurrentiebeding zal worden afgewezen. Dat het belang van werkgeefster ook kan worden ondervangen door het overeengekomen relatiebeding, wordt niet gevolgd door de kantonrechter. Weliswaar wordt met het relatiebeding een boete gesteld op het benaderen van klanten van werkgeefster, maar werkgeefster heeft terecht aangevoerd dat een concurrentiebeding meer zekerheid biedt en zij die zekerheid mag verlangen. De mogelijkheid dat klanten van werkgeefster zullen worden benaderd is minder groot als werkneemster niet bij X in dienst treedt, dan in de situatie dat zij dit wel doet, maar zijzelf geen klanten mag benaderen. Daarnaast worden ook andere belangen van werkgeefster niet ondervangen door het relatiebeding, bijvoorbeeld de door werkgeefster aangevoerde bedrijfsgevoelige informatie en gedane investering in werkneemster. Onder deze omstandigheden dient de vordering van werkneemster tot schorsing van het concurrentiebeding dan ook te worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het voorgaande (mogelijk) niet geldt voor zover de vordering in de bodemprocedure zal zien op de overeengekomen duur van het concurrentiebeding. Dat er een te lange looptijd is overeengekomen is echter geen reden om het gehele concurrentiebeding nu te schorsen.