Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Formido Franchisenemers
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 5 april 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:3211

werknemer/Stichting Formido Franchisenemers

Directeur die beschikt over gelden en bedrijfsauto van werkgeefster voor privédoeleinden zonder daarover een correcte verantwoording af te kunnen leggen en zonder dit terug te betalen is terecht op staande voet ontslagen.

Feiten

Werknemer is sinds 1 januari 1999 in dienst van SFF in de functie van directeur. Vanaf de oprichting van SFF was werknemer daarnaast statutair bestuurder (voorzitter) van SFF. Op 23 januari 2017 is een nieuw bestuur aangetreden, dat kort daarna adviesbureau ACTA-advies heeft ingeschakeld om onderzoek te doen naar de exploitatie en bedrijfsvoering van SFF in verband met zorgen over de financiële huishouding van SFF. Op basis van het rapport is het bestuur tot de conclusie gekomen dat er aanwijzingen zijn van financiële onregelmatigheden onder verantwoordelijkheid van het vorige bestuur en werknemer als directeur. Het bestuur heeft vervolgens BDO opdracht gegeven onderzoek in stellen naar de inkomsten en uitgaven van SFF en de administratieve verantwoording. In afwachting van dat onderzoek heeft SFF op 9 mei 2017 werknemer en zijn dochter (eveneens werkzaam bij SFF) op non-actief gesteld. BDO heeft op 13 juli 2017 een rapport uitgebracht van haar onderzoeksbevindingen. Daarin staat onder meer dat twijfel is gerezen over contant geld dat is opgenomen met de bankpassen van de directeur en zijn dochter en de verwerking hiervan in de financiële administratie. BDO besteedt in haar onderzoeksrapport verder aandacht aan een lening van SFF aan werknemer ten bedrage van € 50.000. Per maand zou € 976,79 als aflossing op de geldlening worden ingehouden van het salaris van werknemer. BDO concludeert in haar rapportage dat in de maanden januari tot en met juli 2016 wel aflossingen zijn geboekt in het grootboek, maar dat in die maanden feitelijk geen inhouding op het loon heeft plaatsgevonden. Op 19 juli 2017 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft in eerste aanleg onder meer vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet in stand gelaten en de verzoeken van werknemer afgewezen. Werknemer komt tegen dit oordeel in hoger beroep.

Oordeel

Het hof constateert dat de feitelijke praktijk met betrekking tot uitgaven en onkosten een andere is geweest dan partijen bij aanvang van het dienstverband op schrift hebben gesteld. Werknemer mocht op grond van zijn arbeidsovereenkomst op jaarbasis slechts beperkte onkosten maken en moest volgens het directiereglement het bestuur over die gemaakte onkosten wekelijks schriftelijk berichten. In de praktijk gebruikte werknemer de zakelijke pas ook voor privé-uitgaven, maakte hij geen periodieke schriftelijke overzichten van de onkosten voor het bestuur en had hij een rekening-courantverhouding met SFF. Werknemer heeft dus geld van SFF voor zichzelf gebruikt dat niet terugbetaald is aan of verrekend is met SFF – en dus aan SFF onttrokken is – en zonder te voorzien in een methode voor deugdelijke controle op de terugbetaling ervan. Met betrekking tot de bevindingen van BDO en van SFF zelf heeft SFF voldoende aangetoond dat werknemer heeft beschikt over gelden en de bedrijfsauto van SFF voor privédoeleinden zonder daarover een correcte verantwoording te kunnen afleggen en zonder dat dit terugbetaald werd aan of verrekend werd met SFF. Administratieve onvolkomenheden zullen in het algemeen geen reden zijn voor het ultimum remedium van ontslag op staande voet. In dit geval echter heeft werknemer als hoogst verantwoordelijke werknemer (directeur) binnen de kleine organisatie van SFF, waarin verder alleen zijn dochter als werknemer werkzaam was, en als enig betaald bestuurslid (statutair directeur) te midden van een verder uit vrijwilligers bestaand bestuur, frequent en zonder controle beschikt over de gelden van SFF voor privédoeleinden. SFF heeft al met al gegronde redenen gekregen om uit te gaan van onregelmatigheden. Werknemer heeft niet kunnen wegnemen dat daarvan geen sprake was. Op zichzelf rechtvaardigt dat ontslag op staande voet. Het hof is voorts van oordeel dat geen sprake is van een eenmalig incident bij een onberispelijke jarenlange staat van dienst, maar van een al jarenlange, verregaande en ernstig verwijtbare nonchalance op het gebied van financiële verantwoording, waarbij in ieder geval in de laatste jaren vanaf 2014 gelden aan SFF zijn onttrokken en werknemer geheel ten onrechte meende dat hij zijn dochter verantwoordelijk kon houden voor zijn privéadministratie, terwijl hij tegelijkertijd als directeur geen verantwoordelijkheid wilde nemen voor toezicht op de door haar gevoerde financiële bedrijfsadministratie. Daar komt bij dat werknemer ook niet heeft willen ingaan op de uitnodiging om op 19 juli 2017 zijn kant van het verhaal te belichten en nadere tekst en uitleg te geven. De kantonrechter heeft het ontslag terecht niet vernietigd en het hof komt daarom niet toe aan de vraag of herstel dan wel een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW op zijn plaats is.