Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 11 april 2018
ECLI:NL:RBOBR:2018:1834
werknemer/Ixon B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 juni 2016 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Ixon B.V. (hierna: Ixon) in de functie van ‘sales- en marketingmedewerker’. Op 31 december 2017 is zijn arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd en nadien niet door Ixon voortgezet. Tussen partijen is thans in geschil of Ixon aan haar aanzegverplichting heeft voldaan door werknemer uiterlijk een maand voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. In dit verband staat vast dat Ixon op 20 november 2017 werknemer per e-mail het volgende heeft medegedeeld: 'Vervelend hoe het gelopen is (…). Graag ga ik op goede voet uit elkaar, zodat we elkaar in de toekomst nog vaak onder ogen kunnen komen.' Volgens werknemer kwalificeert het e-mailbericht niet als een aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Ixon voert ten verwere aan dat zij met het versturen van het e-mailbericht wel aan haar aanzegverplichting heeft voldaan en beroept zich bovendien op het standpunt dat het beroep van werknemer op het uitblijven van een schriftelijke aanzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Oordeel
Aanzegverplichting
De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat werknemer uit de tekst van het voornoemde e-mailbericht zou kunnen afleiden dat Ixon hem mogelijk geen nieuwe arbeidsovereenkomst zou aanbieden moge zo zijn, maar dat is volgens de kantonrechter onvoldoende. Uit de tekst van het e-mailbericht blijkt namelijk niet ondubbelzinnig dat Ixon ná het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst (op 31 december 2017), het dienstverband niet wenste voort te zetten. Ixon is hiermee voorbijgegaan aan de ratio achter de aanzegverplichting, welke gelegen is in het tijdig én op niet mis te verstane wijze bieden van zekerheid aan de werknemer over het wel of niet voorzetten van de arbeidsrelatie. De conclusie luidt derhalve dat Ixon de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW niet is nagekomen.
Aanzegvergoeding
Hoewel vaststaat dat Ixon haar aanzegverplichting heeft geschonden, is de kantonrechter evenwel van oordeel dat toekenning van een aanzegvergoeding aan werknemer onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de overweging wordt het volgende betrokken: de directeur heeft op 20 november 2017 tegen werknemer gezegd dat hij voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst zou worden vrijgesteld van het verrichten van arbeid en gedurende die periode naar een andere baan kon gaan zoeken. Ook is komen vast te staan dat werknemer nadien geen arbeid meer heeft verricht. Verder wordt van belang geacht dat partijen een vervolgafspraak over verdere afwikkeling van het dienstverband hadden gemaakt. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat vastgesteld moet worden dat voor werknemer vanaf 20 november 2017 geen enkele onzekerheid bestond over het eindigen van de arbeidsrelatie. De schriftelijke aanzegging heeft derhalve geen waarborgfunctie meer en moet in het onderhavige geval louter worden gekwalificeerd als een formaliteit. Het verzoek van werknemer tot toekenning van een aanzegvergoeding wordt dan ook afgewezen.