Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 mei 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1987
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is per 1 september 1989 in dienst getreden bij vennootschap 2 op basis van een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst is een pensioenvoorziening opgenomen. Werknemer is als deelnemer toegetreden tot zowel de collectieve, als de aanvullende collectieve pensioenverzekering. Hij heeft bij zijn indiensttreding een omschrijving van de pensioenregeling door vennootschap 2 uitgereikt gekregen (hierna: pensioenomschrijving van vennootschap 2). De statutaire naam van vennootschap 2 is per 1 juli 1991 gewijzigd in vennootschap 3. Vennootschap 3 heeft per 1 juli 1991 een 'Omschrijving en Samenvatting van de Standaard-pensioenregeling van vennootschap 3' opgesteld. Daarnaast is een 'Pensioenreglement voor de aanvullende pensioenregeling van vennootschap 3' opgesteld (hierna: pensioenreglement van vennootschap 3). De arbeidsovereenkomst van werknemer is geëindigd per 1 augustus 1993. Nadien is het aanvullend pensioen van werknemer geïndexeerd per 1 januari 1996 en per 1 januari 2008. Werknemer heeft in een brief van 30 januari 2008 aan bedrijf X geschreven dat is nagelaten om zijn aanvullend pensioen met enige regelmaat te indexeren. Hij heeft verzocht om nabetaling van het aanvullend pensioen wegens de alsnog toe te kennen indexering vanaf 1 augustus 1993. Bedrijf X heeft in een brief van 26 april 2010 aan werknemer geschreven dat het geen acties ter financiering van pensioenaanspraken van (gewezen) deelnemers zal initiëren, omdat deze afspraken zijn vastgelegd in de pensioenregeling van vennootschap 3. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, omdat werknemer zijn bezwaren tegen het niet toepassen van de indexering binnen vijf jaren na 1 augustus 1993 (einde dienstverband) naar voren had dienen te brengen en hij dit niet heeft gedaan. Werknemer heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. De grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zijn vorderingen zijn verjaard.
Oordeel
Anders dan werknemer heeft gesteld blijkt uit een door werkgever in het geding gebrachte e-mail van het Bpf van 1 mei 2015 dat vennootschap 2 niet viel onder de verplichtstelling tot deelneming in het Bpf (cva productie 1). Dat betekent dat geen sprake kan zijn geweest van dispensatie, zoals werkgever heeft betoogd. Tegenover deze betwisting door werkgever heeft werknemer zijn andersluidende betoog onvoldoende nader (gemotiveerd) onderbouwd, zodat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Voor bewijslevering is geen plaats. Werknemer heeft zich daarnaast beroepen op artikel 13 van de arbeidsovereenkomst. In dat verband heeft werknemer echter niets aangevoerd over de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst en hetgeen al dan niet is besproken over het pensioen. Met toepassing van de Haviltex-maatstaf is het hof van oordeel dat werknemer ook op grond hiervan geen aanspraak kan maken op nadere indexatie van zijn aanvullend pensioen. Ook in combinatie met de aan werknemer bij zijn indiensttreding overhandigde pensioenomschrijving van vennootschap 2 mocht hij er niet op vertrouwen dat zijn aanvullend pensioen telkens in lijn met de bij het Bpf toegepaste indexatie zou worden geïndexeerd. Verder is van belang dat hierin is verwezen naar de regeling van het Bpf zonder een onderscheid te maken tussen het standaard- en aanvullend pensioen. Tot slot volgt het hof werkgever in zijn uitleg van artikel 12 van het pensioenreglement van vennootschap 3 dat sprake is van een voorwaardelijke indexatie. Werkgever heeft in hoger beroep betwist dat hij de voormalig werkgever van werknemer is. Hij heeft toegelicht dat de statutaire naam van vennootschap 2, later vennootschap 3, uiteindelijk per 1 januari 2007 is gewijzigd in vennootschap 4, dat deze vennootschap een dochtermaatschappij is van de vennootschap 5 en dat laatstgenoemde vennootschap een dochtermaatschappij is van werkgever. Werknemer heeft dit niet weersproken. Volgens hem is werkgever een moedervennootschap van vennootschap 4. Dat betekent dat hij in de onderhavige procedure niet zijn voormalig werkgever heeft gedagvaard, maar een vennootschap die niet zijn voormalige werkgever is. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hij op grond van de door werkgever opgewekte schijn ervan uit mocht gaan dat werkgever de door hem in rechte aan te spreken wederpartij was (art. 3:35 BW) of dat sprake is van een gedekt verweer (art. 348 Rv). Op grond van het voorgaande dienen de vorderingen van werknemer te worden afgewezen. De vraag of de vorderingen van werknemer zijn verjaard kan daarom in het midden blijven.