Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 april 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:1586
OR Immigratie- en Naturalisatiedienst/De Staat
Feiten
IND voert voor de Staat het vreemdelingenbeleid uit. IND werkt samen met haar ketenpartners, te weten het COA en de DT&V. Op 30 november 2017 heeft de bestuurder van IND het strategisch huisvestingsplan IND 2018-2022 gepresenteerd aan de ondernemingsraad. In de presentatie is onder meer opgenomen dat wordt toegewerkt naar drie Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocaties (GVL) en mogelijk een vierde locatie. Als randvoorwaarde voor het sluiten van asiellocaties Zevenaar en Den Bosch wordt genoemd dat de GVL-locaties gerealiseerd moeten zijn. Dezelfde dag heeft het bestuur de huurovereenkomst met betrekking tot de 28e etage van de locatie aan de Turfmarkt te Den Haag en 50 werkplekken gevestigd in het Rijkskantoor te Zwolle opgezegd. Op 8 december 2017 heeft de bestuurder het huisvestingsplan IND ter advisering voorgelegd aan de ondernemingsraad. De ondernemingsraad heeft verzocht om intrekking van de besluiten ten aanzien van de oprichting van GVL’s te Budel en Gilze en de ondernemingsraad alsnog volledig in de gelegenheid te stellen hierover advies uit te brengen. De bestuurder heeft aangegeven dat de kerstperiode een inhoudelijke reactie en overleg op korte termijn niet mogelijk maakt en dat daarom een opschortingsperiode van een maand wordt voorgesteld. De ondernemingsraad verzoekt onder meer voor recht te verklaren dat IND bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot de besluiten heeft kunnen komen, alsmede IND de verplichting op te leggen de hiervoor bedoelde besluiten in te trekken en IND te verbieden handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van de hiervoor bedoelde besluiten.
Oordeel
De Ondernemingskamer constateert dat niet ter discussie staat dat de keuze om tot GVL-vorming over te gaan onder het politiek primaat valt en daarmee aan de medezeggenschap is onttrokken. De Ondernemingskamer is van oordeel dat niet alleen het principebesluit om tot GVL-vorming over te gaan, maar ook de vervolgens te maken keuzes voor het aantal GVL’s en de locaties van deze GVL’s, bestreken worden door het politiek primaat. Besluiten die het beleid ten aanzien van de taken van IND en COA bepalen, vallen in beginsel onder de reikwijdte van het politieke primaat. In het regeerakkoord is vastgelegd dat de ketenpartners op een beperkt aantal plaatsen onder één dak gaan werken met middelgrote opvangcentra en/of nabij hetzelfde terrein. Deze politieke keuze van de regering noopt IND ertoe nauw samen te werken met en zich mede te richten naar COA. Anders dan de ondernemingsraad lijkt te stellen staat het IND niet vrij om niet te participeren in die samenwerking. De oriëntatie op drie, eventueel vier GVL’s is een vertaling van de voornoemde politieke beleidskeuze en valt daarmee ook onder de reikwijdte van het politieke primaat. Ten aanzien van de keuze voor de locaties van de GVL’s geldt het volgende. De uitvoering van het GVL-beleid is onlosmakelijk verbonden met de concrete invulling van de samenwerking tussen de ketenpartners en de locatie waar dat beleid zal worden uitgevoerd is zodanig verbonden met de inhoud en uitvoering van dat beleid dat de locatiekeuze moet worden gezien als een essentieel onderdeel van dat beleid. Het bestreden besluit kan derhalve niet los worden gezien van het vreemdelingenbeleid als zodanig. Het hiervoor overwogene betekent dat de ondernemingsraad ter zake van het aantal GVL’s en de keuze voor de locaties ervan geen medezeggenschap heeft en geen adviesrecht toekomt. Dit laat uiteraard onverlet dat hij dat te zijner tijd wel heeft ten aanzien van de personele gevolgen van die locatieveranderingen. Ten aanzien van het opzeggen van de huurovereenkomsten is de Ondernemingskamer van oordeel dat niet gesproken kan worden van een wijziging als bedoeld in artikel 25 lid 1 f WOR, nu het opzeggen van de huur van de betreffende ruimtes samenhangt met fluctuaties in de behoefte aan capaciteit en IND onweersproken heeft gesteld dat die opzeggingen geen personele consequenties hebben. Slotsom is dat het verzoek van de ondernemingsraad zal worden afgewezen.