Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 mei 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:2050
Verzoekers c.s./BAM infra Rail B.V.
Feiten
In 2016 heeft BAM IR een reorganisatie doorgevoerd. Op 25 november 2015 is tussen de BAM Groep en drie vakbonden overeenstemming bereikt over het Sociaal Plan. Verzoekers c.s., boventallige werknemers, hebben allen gekozen voor artikel 22 van het Sociaal Plan (een financiële regeling bij Keuze voor begeleiding Werk-naar-werk (outplacement). In december 2016 en januari 2017 zijn in dit verband vaststellingsovereenkomsten (de vso’s) opgesteld. Er is bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het Sociaal Plan bij de berekening van de beëindigingsvergoeding is toegepast. De Begeleidingscommissie Sociaal Plan heeft het bezwaar ongegrond geacht. Partijen hebben de kantonrechter verzocht een uitspraak te doen over de vraag wat dient te worden begrepen onder het begrip bruto jaar-/maandsalaris in de zin van het Sociaal Plan en welke looncomponenten dienen te worden meegenomen in de berekening van de beëindigingsvergoeding in de zin van artikel 22 en 23 Sociaal Plan. BAM IR verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de vijf door verzoekers c.s. genoemde toeslagen niet behoren tot de 'vaste en overeengekomen looncomponenten' als bedoeld in artikel 4 onder e van het ‘Sociaal en Actief’ van de Koninklijke BAM Groep N.V. 1 januari – 31 december 2016.
Oordeel
Het begrip variabel(e) dient te worden uitgelegd als in het ene geval specifiek behorend bij een 'Variabele beloningsregeling' (die, naar van algemene bekendheid is, vaak te maken heeft met bijzondere prestaties van een individuele werknemer, die bijzonder beloond worden) en als afzonderlijk begrip in de zin van 'discretionaire en/of variabele'. Aannemelijk is dat met 'variabel' in 'Emolumenten' wordt bedoeld: af en toe maar niet volgens een bepaald patroon of bepaalde afspraak plaatsvindende betalingen. Hoewel vrijwillige aanmelding voor de storingsdienst voor BAM IR bij het maken van het werkschema het uitgangspunt vormde, is ter zitting ook toegelicht dat als er onvoldoende vrijwillige aanmeldingen waren, er mensen werden aangewezen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat het inherent aan de functie van verzoekers c.s. was dat er storingsdiensten gedraaid dienden te worden. Genoegzaam is komen vast te staan dat die storingsdiensten een structureel karakter hadden. In het licht van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, en gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is de kantonrechter van oordeel dat een paar van de genoemde toeslagen veeleer geschaard moeten worden onder de in het Sociaal Plan gegeven definitie van 'Bruto Jaarsalaris c.q. Jaarloon', als zijnde vaste en overeengekomen looncomponenten, en niet onder 'Emolumenten', nu deze toeslagen niet gebaseerd zijn op een vrijblijvende deelname aan de storingsdienst. Verzoekers c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de toeslag voor de storingsdienst in ieder geval 20 of 25% bedraagt en wordt opgebouwd volgens een vast stramien. Ten aanzien van 'Venstertoeslag' en 'Compensatie bereikbaarheid' is de kantonrechter van oordeel dat dit per periode terugkerende vaste vergoedingen zijn die vanwege de verknochtheid met het draaien van de storingsdienst als vast en overeengekomen looncomponent moeten worden aangemerkt. Dit geldt echter niet voor de toeslagen 'Oproepen', 'Meeruren' en 'Uren boven contract' die afhankelijk zijn van de hoeveelheid storingsmeldingen tijdens de storingsdienst en dus als variabel looncomponent aangemerkt moet worden. De omstandigheid dat het Sociaal Plan, anders dan zijn voorganger, geen addendum kent waarin, voor zover hier van belang, het gemiddelde van de onregelmatigheidstoeslagen onder de definitie ‘Brutojaarsalaris’ werd gebracht, rechtvaardigt niet de conclusie dat deze onregelmatigheidstoeslagen bij de berekening van de beëindigingsvergoeding buiten beschouwing gelaten moeten worden omdat die aangemerkt moeten worden als ‘Emolumenten’. In antwoord op de door partijen aan de kantonrechter voorgelegde rechtsvraag tellen dus de genoemde toeslagen, met uitzondering van de toeslagen 'Oproepen', 'Meeruren' en 'Uren boven contract', mee bij het bepalen van het brutojaarsalaris en dienen deze dus in beschouwing te worden genomen bij de berekening van de beëindigingsvergoeding in de zin van artikel 22 en 23 Sociaal Plan.