Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 mei 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2110
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer heeft op 19 april 2011 een arbeidsongeval op het terrein van werkgeefster gehad. Werknemer meldt zich daags daarna ziek. Kort daarop stelt hij werkgeefster voor de schade als gevolg van het ongeval aansprakelijk. Vervolgens ontvangt werkgeefster van de arbeidsinspectie een bestuurlijke boete in verband met het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet. Twee weken later wordt bij werknemer de diagnose ‘zeer ernstige tinnitus’ vastgesteld. Op 11 april 2013 ontvangt werkgeefster toestemming van het UWV om over te gaan tot ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, waarna het dienstverband wordt opgezegd. Werknemer stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is en vordert schadevergoeding. De opzeggingsgrond ligt volgens hem namelijk in de risicosfeer van werkgeefster. De kantonrechter oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat het niet toekennen van een vergoeding aan werknemer vanwege de arbeidsongeschiktheid het ontslag kennelijk onredelijk maakt. Daartoe overweegt de kantonrechter dat niet kan worden vastgesteld of aan werknemer in het kader van een artikel 7:658 BW-procedure een schadevergoeding wordt toegekend in verband met het arbeidsongeval, terwijl het verkrijgen van een dergelijke uitkering invloed heeft op het antwoord op de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is.
Oordeel
Kennelijk onredelijk ontslag
De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en (zo nodig) bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Het hof gaat in op de vraag of de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van verwijtbaar handelen door werkgeefster. Werkgeefster valt een verwijt te maken van het arbeidsongeval dat zich ten tijde van de werkzaamheden van werknemer heeft voorgedaan. Uit de beschikking van de Arbeidsinspectie kan namelijk worden afgeleid dat werkgeefster onvoldoende voorzorgsmaatregelen had genomen en dat de voorzorgsmaatregelen die waren genomen inadequaat warden. De vervolgvraag – of de gezondheidsklachten van werknemer het gevolg zijn van het arbeidsongeval – kan het hof evenwel in dit stadium van het geding nog niet beantwoorden. Partijen hebben verschillende medische stukken ingebracht, waardoor het hof behoefte heeft aan voorlichting door een onafhankelijke en onpartijdige deskundige.
Prejudiciële vraag samenloop van vorderingen
Partijen debatteren over de consequenties van de samenloop tussen vergoeding aan de werknemer in een artikel 7:681 BW (oud)-procedure en een (eventuele) artikel 7:658 BW-procedure. Weliswaar geldt volgens de Baijingsleer als uitgangspunt dat de werknemer niet meerdere vergoedingen mag ontvangen vanwege dezelfde grondslag maar er bestaat onduidelijkheid en daarmee rechtsonzekerheid over het antwoord op de vraag of in gevallen als het onderhavige onder aanhouding van de artikel 7:681 BW (oud)-procedure eerst de uitkomst van een artikel 7:658-procedure moet worden afgewacht, een schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW in de weg staat aan een (billijke) vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW (oud) dan wel de rechter op de voet van artikel 7:681 BW (oud) zelfstandig kan oordelen en beslissen, ook over (de mate van) de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever bij een arbeidsongeval van de werknemer, omdat de eerste aan de werknemer verstrekte vergoeding kan worden verrekend met een latere vergoeding die betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde vermogensschade(posten) zoals inkomsten- en pensioenschade. Hierover bestaan verschillende en uiteenlopende opvattingen.