Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 5 juni 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2364

werknemer/werkgeefster

Werknemer krijgt acute hernia op de werkvloer en is daarna volledig arbeidsongeschikt. Dit is niet aan werkgeefster toe te rekenen, zodat het daaropvolgende ontslag niet kennelijk onredelijk is. De gevolgen in de financiële situatie van werknemer zijn te wijten aan zijn eigen arbeidsongeschiktheid en niet aan het ontslag.

Feiten

Werknemer is als productiemedewerker in dienst bij werkgeefster. Op 26 augustus 2011 doet zich een voorval voor waarbij werknemer de macht over zijn benen kwijtraakt en waardoor hij arbeidsongeschikt raakt. Nadat werkgeefster een loonsanctie opgelegd heeft gekregen, ontvangt werknemer vanaf 26 september 2014 een WIA-uitkering. Werkgeefster zegt, na toestemming te hebben verkregen van het UWV, de arbeidsovereenkomst op met ingang van 1 maart 2015. Werknemer vordert schadevergoeding van het, volgens hem, kennelijk onredelijke ontslag. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

Oordeel

Goede procesvoering

Werknemer zegt het bestreden vonnis ten volle aan de beoordeling van het hof te willen voorleggen, maar dit is niet voldoende om een niet of onvoldoende gepreciseerd geschilpunt in hoger beroep (opnieuw) te laten beoordelen. Werknemer hoeft geen grieven te benoemen, maar moet wel duidelijk maken tegen welke rechterlijke beslissingen hij opkomt, welke bezwaren hij daarvoor aanvoert en op welke gronden hij die bezwaren baseert. Dat moet ook voor de geïntimeerde kenbaar zijn. Het hof gaat om die reden voorbij aan de opmerking van werknemer dat hij het geschil in volle omvang aan het hof voor wenst te leggen.

Bedrijfsongeval

Het hof is van oordeel dat de enkele blote kwalificatie als 'bedrijfsongeval' van het voorval van 26 augustus 2011 in de memorie van grieven niet kan worden beschouwd als een voor werkgeefster duidelijk kenbare grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat het voorval geen arbeidsongeval is geweest, dat achteraf sprake blijkt te zijn van een acute hernia en dat die hernia niet valt terug te leiden tot de werkzaamheden of werkomstandigheden zoals die voor werknemer hebben bestaan, zodat die hernia niet aan werkgeefster kan worden toegerekend. Voor zover toch sprake zou zijn van een grief merkt het hof op dat werknemer in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwt waarom, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, het voorval op 26 augustus 2011 wel een bedrijfsongeval is geweest en/of in verband heeft gestaan met zijn werkzaamheden of de omstandigheden waaronder deze moesten worden uitgevoerd. Het hof gaat er daarom van uit dat geen causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid van werknemer en de werkzaamheden die hij moest uitvoeren of de omstandigheden waaronder dat gebeurde.

Kennelijk onredelijk ontslag

Het hof merkt op dat ook als de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd, werknemer vanaf augustus 2014 geen aanspraak meer zou hebben kunnen maken op loonbetalingen en dat in zoverre de wijziging in zijn financiële situatie geen gevolg is van de opzegging, maar van zijn arbeidsongeschiktheid, die is ontstaan door een voorval waarvan de oorzaak niet als bedrijfsongeval of anderszins aan werkgeefster kan worden toegerekend. Voorts is niet gesteld dat de (thans nog bestaande) mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald door het uitblijven van re-integratie-inspanningen van werkgeefster (waar een loonsanctie voor is opgelegd). De gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen hun oorzaak niet vinden in de opzegging, maar in de daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheid van werknemer. Ook indien de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd, zou werknemer na 26 augustus 2014 geen aanspraak meer hebben gehad op loon en aangewezen zijn op een sociale uitkering.