Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2015 in dienst getreden bij werkgeefster en werd per diezelfde datum bestuurder van deze vennootschap. Werkgeefster is een onderneming gericht op kinderopvang via gastouders. In maart 2017 is werkgeefster in aanraking gekomen met de heer B (CEO) en mevrouw C (commissaris) van Lavide Holding NV (hierna: Lavide). Op 24 juli 2017 is overeengekomen dat Lavide 100% van de aandelen van werkgeefster koopt tegen betaling van 295.000 aandelen B van Lavide. Op 21 december 2017 is werknemer, vanwege het verstrekken van koersgevoelige informatie, door de Bijzondere Vergadering van Aandeelhouders ontslagen. Werknemer stelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven en stelt dat het ontslag nietig is, dan wel vernietigd moet worden.
Oordeel
Vennootschapsrechtelijk en arbeidsrechtelijk ontslag niet rechtsgeldig
Allereerst stelt de rechtbank vast dat C ten tijde van de AVA van 21 december 2017 geen bevoegd bestuurder van werkgeefster was. Tevens staat als onweersproken vast dat het in strijd is met de statuten van Lavide dat C naast commissaris bij Lavide tevens bestuurder is van werkgeefster. Verder stelt de rechtbank vast dat uit de brief van 11 december 2017 en de daarbij gevoegde uitnodiging voor de AVA van 21 december 2017 blijkt dat daar niet het 'voornemen tot ontslag' van werknemer wordt genoemd, maar 'het ontslag'. Het ontslag van werknemer was kennelijk voor werkgeefster al een vaststaand feit. Tevens staat vast dat de gronden voor het ontslag van werknemer niet naar behoren kenbaar zijn gemaakt voorafgaand aan de AVA, ook niet na het expliciete verzoek van werknemer om de onderliggende stukken voorafgaand aan de vergadering aan hem te doen toekomen. De rechtbank oordeelt dat het ontslagbesluit reeds op deze gronden in strijd is met de bepalingen die de totstandkoming van een besluit regelen en tevens in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het ontslagbesluit is daarom op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar. Ook het arbeidsrechtelijk ontslag is daarmee niet rechtsgeldig. De loonvordering vanaf 21 december 2017 wordt toegewezen. Door werknemer wordt voorts verzocht werkgeefster te veroordelen om per direct de schorsing ongedaan te maken en werknemer weer te werk te stellen. De rechtbank zal deze vorderingen echter afwijzen. Werknemer heeft in deze procedure niet de nietigheid of de vernietigbaarheid van het schorsingsbesluit ingeroepen. Bovendien valt in de omstandigheden van dit geval niet in te zien dat het in het belang van werkgeefster of werknemer zou zijn dat hij zijn werkzaamheden als bestuurder feitelijk hervat. Ten aanzien van het door werknemer opgestelde persbericht wordt geoordeeld dat, nog daargelaten de vraag of een verzoek tot veroordeling tot plaatsing van een persbericht in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige kan worden gedaan, geldt dat de gevorderde tekst van zodanige – niet feitelijke – aard is dat het verzoek reeds daarom niet toewijsbaar is.
Voorwaardelijk ontbindingsverzoek
De rechtbank concludeert ten aanzien van de door werkgeefster gemaakte verwijten dat weliswaar de onderlinge communicatie op enig moment moeizaam is gaan verlopen, maar dat niet is gebleken dat deze situatie is ontstaan door verwijtbaar handelen van werknemer. Sterker nog, deze lijkt veeleer te wijten aan de handelwijze van werkgeefster: werkgeefster heeft aan werknemer forse verwijten gemaakt en hem ontslagen, zonder deugdelijke onderbouwing. Subsidiair verzoekt werkgeefster ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het ontslagbesluit is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verhouding tussen partijen weliswaar verstoord is geraakt, maar dat door werkgeefster op een wijze is gehandeld waardoor zij zelf het risico heeft genomen (al dan niet bewust) dat de verhoudingen verstoord zouden raken. Ook is op geen enkele wijze door werkgeefster getracht de verhoudingen te herstellen. Gelet daarop wordt het verzoek tot ontbinding op deze grond afgewezen.